ECLI:NL:RVS:2010:BN9208
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken belang bij intrekking verblijfsvergunning
De vreemdeling was ongewenst verklaard en had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die was ingetrokken. Hij stelde beroep in tegen de intrekking en de ongegrondverklaring van zijn bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad overwoog dat zolang de vreemdeling ongewenst is verklaard, hij geen rechtmatig verblijf kan hebben en dus geen belang heeft bij een beroep tegen een verblijfsvergunning. De vreemdeling had bovendien nooit arbeid verricht noch was hij daartoe voornemens, waardoor artikel 13 van Pro besluit nr. 1/80 niet op hem van toepassing was.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het gericht was tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en bevestigde het vonnis van de rechtbank voor het overige. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belang bij het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning.