ECLI:NL:RVS:2010:BO8026
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- B. van Wagtendonk
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring vreemdeling wegens persoonlijke deelname aan oorlogsmisdrijven Iraakse leger
De vreemdeling diende van 1986 tot 1992 als verbindingssoldaat in de artillerie van het Iraakse leger, betrokken bij de Irak-Iranoorlog, de Anfal-campagne tegen de Koerden en de Golfoorlog. Vaststaat dat hij op de hoogte was van oorlogsmisdrijven gepleegd door het leger, waardoor sprake is van 'knowing participation'.
De rechtbank had geoordeeld dat de vreemdeling geen wezenlijke bijdrage had geleverd vanwege zijn ondergeschikte functie en het ontbreken van beslissingsbevoegdheid. De minister stelde echter dat de bijdrage van de vreemdeling een feitelijk effect had gehad op het begaan van de misdrijven, omdat hij de coördinaten aanleverde die het beschieten mogelijk maakten, en dat de misdrijven waarschijnlijk niet op dezelfde wijze zouden hebben plaatsgevonden zonder zijn rol.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank deze causale relatie en de definitie van 'personal participation' niet juist heeft toegepast. De minister heeft zich niet onterecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Daarnaast weegt de minister het algemene belang en de ernst van de misdrijven zwaarder dan het gezinsleven van de vreemdeling in Nederland. Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot ongewenstverklaring gehandhaafd.
Uitkomst: De vreemdeling wordt ongewenst verklaard wegens persoonlijke deelname aan oorlogsmisdrijven; het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.