ECLI:NL:RVS:2010:BO8060
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen positieve verblijfsverplichting op grond van artikel 8 EVRM bij onzeker verblijf vreemdeling
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van een vreemdeling tegen de weigering van een verblijfsvergunning gegrond verklaarde. De vreemdeling had gedurende een langdurige asielprocedure een gezin gevormd met een Nederlandse partner en een kind met de Nederlandse nationaliteit. De staatssecretaris had het verzoek om een verblijfsvergunning afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft overwogen dat bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro meeweegt of het gezinsleven is aangegaan in een periode waarin onzekerheid bestond over de verblijfsaanspraken van de vreemdeling. Dit betekent dat het risico van het ontbreken van een verblijfsrecht voor rekening van de vreemdeling komt. Verder is vastgesteld dat er geen objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, onder meer omdat de vreemdeling en zijn gezin naar Guinee kunnen terugkeren, ondanks het negatieve reisadvies.
De Afdeling concludeert dat de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken in de belangenafweging en dat er geen positieve verplichting bestaat om verblijf in Nederland toe te staan. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de weigering van de verblijfsvergunning bevestigd.