Uitspraak
201005345/1/H2) is, waar het gaat om natuurlijke personen, in de eerste plaats de eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde van het desbetreffende object belanghebbende bij een besluit tot het al dan niet aanwijzen ervan als monument. Omwonenden, huurders en andere gebruikers en andere individuele personen zijn geen belanghebbende bij een dergelijk besluit. [appellant B] is geen eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde van het pand en kan derhalve niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden beschouwd. Dat [appellant B] het pand bewoont, doet daar niet aan af. De rechtbank heeft dan ook terecht, zij het op andere gronden, het beroep van [appellant B] niet-ontvankelijk verklaard.
200903949/1/H2), mag het recht op toegang tot de rechter worden beperkt en is dat niet in strijd met artikel 6 van Pro het EVRM mits de beperkingen niet in essentie het recht op toegang tot de rechter schaden, een gerechtvaardigd doel dienen en proportioneel zijn. In dit geval is aan deze vereisten voldaan. De beperking van deze toegang tot eigenaren en andere zakelijk gerechtigden tast in essentie niet het recht op toegang tot de rechter aan. Voorts is deze beperking niet onredelijk, nu slechts de eigenaar en andere zakelijk gerechtigden bevoegd zijn het pand te wijzigen.
200807720/1/M1) kent de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb niet de verplichting voor het bevoegd gezag om degenen die zienswijzen tegen het ontwerpbesluit hebben ingebracht, voorafgaande aan het nemen van het definitieve besluit tevens nog te horen. Evenmin is gebleken dat het college anderszins was gehouden [appellant A] in dit geval te horen. Het betoog faalt.
201003052/1/V3) dient de rechtbank de rechtmatigheid van het besluit te beoordelen naar de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit. Aangezien voormeld Handvest eerst juridisch bindend is geworden met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009, heeft de rechtbank het terecht niet betrokken bij de beoordeling van het besluit van 21 april 2009.
200808232/1/H3. Hierin is geoordeeld dat het betoog dat met een gemeentelijke verordening inbreuk wordt gemaakt op het ongestoord genot van eigendom als bedoeld in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het Protocol) omdat een wettelijke basis zou ontbreken, faalt, nu volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voor de regulering van het gebruik van eigendom vereist is dat deze is voorzien bij wet, dat de beperking voorzienbaar en kenbaar moet zijn, doch niet dat deze dient te zijn opgenomen in een wet in formele zin. Dit betoog faalt.
200804884/1) is bij een besluit tot aanwijzing van een pand als een beschermd gemeentelijk monument geen sprake van strijd met dit artikel. Deze bepaling laat onverlet de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang. Het besluit vloeit voort uit de toepassing van de Verordening. Deze reguleert de eigendom in verband met de bescherming van monumenten, een op zichzelf redelijk doel. De inbreuk die met het besluit op het eigendomsrecht wordt gemaakt gaat niet verder dan dat een monumentenvergunning is vereist voor wijzigingen aan het pand. Dit is als zodanig geen onredelijke beperking van het eigendomsrecht, nu het daarmee niet onmogelijk wordt om wijzigingen aan het pand aan te brengen met in achtneming van het beschermingswaardige karakter van het pand. Het besluit tot aanwijzing heeft voor [appellant A] daarmee geen gevolgen die onevenredig zijn ten opzichte van het met de aanwijzing te dienen doel.