Uitspraak
200802545/1) heeft de Afdeling reeds overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister bij het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen voor een gebied niet mag aansluiten bij de populatie die minimaal benodigd is voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau. In hetgeen de Stichting Noordzee en de Vogelbescherming hebben aangevoerd ziet de Afdeling thans geen aanleiding hier ten aanzien van de populatie, de oppervlakte van een leefgebied of habitattype anders over te oordelen. Daartoe overweegt zij als volgt.
200802545/1) dat noch uit de omschrijving die artikel 1, onderdeel i, van de Habitatrichtlijn geeft van "gunstige staat van instandhouding", noch uit enige andere bepaling in de Vogel- of de Habitatrichtlijn, volgt dat het streven naar een gunstige staat van instandhouding de verplichting met zich brengt tot het handhaven van populaties van soorten in een op grond van de Vogelrichtlijn aangewezen gebied in een omvang die overeenkomt met die op het moment waarop uitvoering moest zijn gegeven aan de op grond van die richtlijn geldende verplichtingen. In hetgeen de Vogelbescherming heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding hier thans anders over te oordelen. Hiertoe overweegt zij als volgt. Zoals reeds overwogen onder 2.9. staat in het Doelendocument en het verweerschrift beschreven dat bij de het bepalen van de draagkracht van het gebied en de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen de historische ontwikkeling van de vogelsoorten van 1980 tot 2003 wordt bezien. Anders dan Vogelbescherming kennelijk veronderstelt, is de ontwikkeling van de soorten sinds het moment dat uitvoering moest zijn gegeven aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn derhalve mede bepalend geweest bij de vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen voor dit gebied.
200204302/1) kan een voorstel als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Habitatrichtlijn niet worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van Algemene wet bestuursrecht, maar een handeling ter voorbereiding van de vaststelling van deze lijst door de Commissie. In zoverre heeft het Productschap Vis terecht naar voren gebracht dat in de aanmeldingsprocedure geen rechtsbescherming openstaat.
200802545/1) volgt noch uit artikel 19a van de Nbw 1998 noch uit enige andere wettelijke bepaling dat het aanwijzingsbesluit en het beheerplan gelijktijdig hadden moeten worden vastgesteld. Dat een nauwkeuriger vaststelling van de gevolgen van de aanwijzing eerst kan plaatsvinden na de totstandkoming van het beheerplan vloeit daaruit voort dat, naar volgt uit de aangehaalde bepaling, eerst in het beheerplan de concreet te nemen instandhoudingsmaatregelen worden vastgelegd. In hetgeen Productschap Vis naar voren heeft gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.