Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
[derde partij]uit [plaats 18] (de derde-partij)
I. De formele eisen
Is het wijzigingsbesluit een besluit?
Zijn eisers belanghebbenden bij het wijzigingsbesluit en hebben zij procesbelang?
De derde-partij heeft hierover, samengevat, naar voren gebracht dat de meeste eisers niet concreet hebben onderbouwd wat voor feitelijke gevolgen zij zullen ondervinden van het wijzigingsbesluit. Zij hebben geen rechtstreeks belang, want er wijzigt niets in de geldende wettelijke bescherming en zij hebben geen onderscheidend belang bij natuurbescherming ten opzichte van andere burgers. Dat geldt zeker voor de eisers die als natuurlijke persoon beroep hebben ingesteld.
Als eisers al belanghebbenden zijn, hebben zij geen procesbelang, want zij willen alleen maar bereiken dat zij geen beperkingen ondervinden van natuurbeschermingsmaatregelen. Dat doel kan niet worden bereikt met vernietiging van het wijzigingsbesluit.
II. Afbakening
Vaak is benadrukt dat misschien nog wel het belangrijkste voor eisers is dat zij niet weten waar ze aan toe zijn. Die onzekerheid speelt hen parten en maakt het ze bijna onmogelijk om een agrarisch bedrijf te (blijven) runnen. Voor eisers is het wijzigingsbesluit daar een goed voorbeeld van, omdat nu blijkt dat de eerder aangewezen Natura 2000-gebieden achteraf kunnen worden veranderd en wijzigingen ook onbeperkt mogelijk lijken.
III. De beroepsgronden
De aanvullende beroepsgrond
Dezelfde beroepsgronden
de bij het besluit betrokken belangenafweegt. [32]
IV. Relativiteitsvereiste
- verklaart de beroepen ongegrond;
- bepaalt dat de minister het griffierecht aan de volgende eisers moet vergoeden:
- veroordeelt de minister tot betaling van de proceskosten van € 875,- aan de eisers samen in de zaken: 23/239, 23/292, 23/346, 23/471, 23/491, 23/350, 23/351, 23/352, 23/367 en 23/371;
- veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten van € 24,74 aan eisers in de zaak 23/471.