Uitspraak
200808514/1/H2) vloeit dit reeds voort uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het vierde en vijfde lid (voordien het derde en het vierde lid), en artikel 24, tweede lid, gelezen in samenhang met het derde lid, van de Awir. Het voorschot wordt slechts verleend tot het vermoedelijke bedrag van de tegemoetkoming en die voorschotverlening kan worden herzien. De voorschotten worden ook verrekend met de definitieve tegemoetkoming hetgeen eveneens kan leiden tot een terugvordering. [appellant] kon en mocht er dus niet op vertrouwen dat de Belastingdienst de reeds betaalde voorschotten niet zou terugvorderen. Daarbij is niet van belang dat de Belastingdienst de bij de aanvraag verstrekte gegevens, waarop de verlening van voorschotten is gebaseerd, niet heeft gecontroleerd en dat de inkomensgegevens abusievelijk niet geheel juist zijn vermeld.
200802996/1, terecht overwogen dat in artikel 26 van Pro de Awir dwingendrechtelijk is bepaald dat indien een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming, zoals hier aan de orde, leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. In de Awir is geen bepaling opgenomen op grond waarvan de Belastingdienst van terugvordering kan afzien dan wel de terugvordering kan matigen, zoals door [appellant] voorgesteld. De Wet op de huurtoeslag of het Besluit op de huurtoeslag voorzien evenmin in een algemene hardheidsclausule. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over zijn persoonlijke omstandigheden leidt niet tot het oordeel dat de Belastingdienst niet in redelijkheid de teveel betaalde voorschotten heeft kunnen terugvorderen. Een belangenafweging is bij de terugvordering als zodanig immers niet aan de orde. [appellant] kan de Belastingdienst wel verzoeken om een betalingsregeling, indien hij door de terugvordering in financiële problemen raakt. Daarbij heeft de Belastingdienst wel ruimte om rekening te houden met de individuele omstandigheden en beleid te voeren.