ECLI:NL:RVS:2011:BU8617
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Toetsing van maatregel van vreemdelingenbewaring zonder toepassing van de terugkeer-richtlijn
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen een uitspraak van de rechtbank die zijn inbewaringstelling op grond van de Vreemdelingenwet 2000 heeft bevestigd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat de jurisprudentie over de toetsing van bewaring die vóór het verstrijken van de omzettingstermijn van de terugkeer-richtlijn is ontwikkeld, analoog moet worden toegepast op gevallen waarop de richtlijn niet van toepassing is, behoudens uitzonderingen.
De vreemdeling voerde onder meer aan dat de richtlijn wel van toepassing zou zijn en dat de gronden voor bewaring onvoldoende waren gemotiveerd. De Afdeling verwierp deze grieven omdat de richtlijn niet van toepassing is op deze zaak en de rechtbank de bewaring terecht terughoudend heeft getoetst. Ook het standpunt dat met een lichter middel dan bewaring had kunnen worden volstaan, werd verworpen.
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep kennelijk ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 15 december 2011.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring wordt bevestigd.