ECLI:NL:RVS:2012:BV3715
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
De vreemdeling diende op 9 augustus 2011 een asielaanvraag in Nederland in, maar uit het Eurodac-systeem bleek dat hij eerder een aanvraag in Malta had gedaan. Volgens de Dublinverordening is Malta verantwoordelijk voor de behandeling van zijn verzoek. De voorzieningenrechter had de eerdere afwijzing van de aanvraag door de minister bevestigd.
De vreemdeling voerde in hoger beroep aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kon worden toegepast omdat Malta slechte leefomstandigheden bood, met name in het tentenkamp "Hal Far Tent Village". Hij stelde dat de minister de behandeling van zijn asielverzoek zelf had moeten overnemen op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening.
De Raad van State oordeelde dat de informatie over de leefomstandigheden in Malta niet wezenlijk afweek van eerdere zaken waarin de overdracht aan Malta was toegestaan. Het rapport van de Raad van Europa bood onvoldoende grond om het vertrouwen in Malta te weerleggen. Klachten over de situatie in het tentenkamp moesten bij de Maltese autoriteiten worden ingediend. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van zijn asielaanvraag bevestigd.