Uitspraak
200807466/1/H3, dat het belang bij het hoger beroep van [appellant A] en [appellant C] is komen te vervallen met het onherroepelijk worden van de bouwvergunning. Ter zitting heeft het college voorts aangevoerd dat het hoger beroep van [appellant A] en [appellant C] tevens niet-ontvankelijk is omdat zij geen belanghebbenden zijn als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
200400511/1overweegt de Afdeling dat bij het verlenen van een monumentenvergunning ten behoeve van werkzaamheden met een ruimtelijke uitstraling voor naastgelegen panden, het belang van de eigenaar van een naburig pand rechtstreeks is betrokken. Onder ruimtelijke uitstraling in het kader van een te verlenen monumentenvergunning moet in het algemeen worden verstaan, de waarneembare invloed die de te vergunnen werkzaamheden zullen hebben op de omgeving.
200703114/1overweegt de Afdeling dat het object van de voorbereidingsprocedure niet de aanvraag maar het ontwerpbesluit is, waaruit de inhoud van de voorgenomen beslissing van het bestuursorgaan blijkt. Het ontwerpbesluit is voorafgaand aan de terinzagelegging overeenkomstig artikel 3:12, eerste en derde lid, van de Awb bekend gemaakt, naar aanleiding waarvan het college tien zienswijzen, waaronder die van [appellant A] en [appellant C], binnen de gestelde termijn heeft ontvangen. Aangezien [appellant A] en [appellant C] niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij of anderen door de gelijktijdige publicatie van de aanvraag en het ontwerpbesluit zijn benadeeld en uit de nota van beantwoording van zienswijzen blijkt dat het college tot het inzicht is gekomen dat geen advies bij het RACM behoefde te worden ingewonnen omdat geen van de gevallen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Monumentenwet zich voordoet, bestaat geen aanleiding te oordelen dat de rechtbank het besluit van 13 juli 2010 vanwege de gelijktijdige bekendmaking met de aanvraag had moeten vernietigen.