ECLI:NL:RVS:2012:BV7090
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM niet gegrond verklaard
Vreemdeling 1 en 2 hadden aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning die door de minister werden afgewezen. De rechtbank verklaarde deze besluiten onrechtmatig wegens onvoldoende motivering, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de minister een draagkrachtige motivering had gegeven, waarbij onder meer de relatief korte verblijfsduur van vreemdeling 1 en haar jonge leeftijd werden meegewogen. De Raad verwees naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en concludeerde dat geen schending van artikel 8 EVRM Pro was vastgesteld.
Daarnaast werd geoordeeld dat er geen sprake was van een familie- of gezinsleven dat de weigering van verblijf rechtvaardigde, en dat het bestuursorgaan voldoende rekening had gehouden met de belangen van het kind zoals vereist door het IVRK. Het beroep op het Handvest van de Grondrechten van de EU werd niet aanvaard omdat het toepassingsgebied niet was gegeven.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde de beroepen van vreemdeling 1 en 2 ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen van vreemdeling 1 en 2 tegen de weigering van verblijfsvergunningen worden ongegrond verklaard.