Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
extraworden gecontroleerd, zodat de belanghebbende ervan uit kan gaan dat
alleposten worden gecontroleerd; en
4.Behandeling van het eerste middel (specifieke zorgkosten)
partner, (…);
directverband houden met ziekte. Dit geldt blijkens de Memorie van Toelichting ook nog ná de tekstuele wijziging in 2009, waarbij de zinsnede ‘de daarmee verband houdende’ uit de regeling werd vervangen door het begrip ‘wegens’ (zie 4.4 en 4.7-4.8): [11]
extrazijn. Tot de invoering van de Wet IB 2001 was hiervan sprake als de uitgaven een normaal bestedingspatroon overstegen; ofwel: als de ziektekosten de uitgaven overtroffen die zouden zijn gemaakt door een contribuabele die afgezien van de ziekte in vergelijkbare omstandigheden verkeert als de belastingplichtige. [12] Vanaf 2001 vindt de beoordeling of sprake is van
extrauitgaven ingevolge art. 6.17(3) Wet IB 2001 wettelijk en objectief plaats aan de hand van de verhouding tussen de uitgaven en het verzamelinkomen van de belastingplichtige.
vervangingdan wel voor het
overbodig makenvan gezinshulp kunnen niet als uitgaven wegens ziekte worden aangemerkt. De volgende uitgaven kwalificeerden om deze reden niet als (aftrekbare) ziektekosten:
:
conversie-uitgaven, zijn niet aftrekbaar. [23] De uitgaven voor de droogtrommel bijvoorbeeld, aangeschaft omdat men zelf de was niet te drogen kan hangen, en die (gezins)hulp wat dat betreft overbodig maken, zijn dan ook niet aftrekbaar.
binnenhet gezin; zij dienen
ter vervanging vangezinshulp. Uit de jurisprudentie (4.15–4.17) volgt dat zodanige uitgaven, waarmee hulp binnen het gezin in wezen overbodig wordt, geen deel uitmaken van c.q. niet kunnen worden geconverteerd naar één van de categorieën genoemd in de (limitatieve) opsomming van art. 6.17(1) Wet IB 2001. De uitgaven van de belanghebbende ter zake van de kinderopvang buitenshuis kunnen dus niet worden aangemerkt in als uitgaven voor gezinshulp.
hulpverlening in de huishoudelijke sfeer doch in het bijzonder voor de verzorging en de opvoeding van zijn jonge kinderen. Zulk een hulp is veelal niet te verkrijgen dan ten koste van grote financiële opofferingen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in dit verband in het verleden vele malen is gesproken over de fiscale positie van weduwnaars met jonge kinderen die een huishoudelijke hulp hebben.
ziekte.
5.Beoordeling van het tweede middel (vertrouwensbeginsel)
anders danover de aftrek voor gezinshulp, en de omstandigheid dat volgens de belanghebbende de Belastingdienst ieder jaar publiceert welke posten extra zullen worden gecontroleerd, maken dit oordeel – aldus het Hof – niet anders, nu hierbij geen sprake is van een (expliciete) toezegging van de Inspecteur. Anders dan de belanghebbende (kennelijk) meent, kan niet worden gezegd dat de Inspecteur met het (louter) volgen van de aangifte een bewuste standpuntbepaling heeft gedaan ter zake van de aftrekbaarheid van de kosten van de kinderopvang. De feitelijke oordelen van het Hof dienaangaande zijn niet onbegrijpelijk en kunnen derhalve in cassatie niet met vrucht worden bestreden.
6.Ambtshalve beschouwing: (door)werking verdragsrechtelijke sociale grondrechten
een ieder verbindendzijn; c.q. rechtstreekse werking hebben (art. 93 Grondwet Pro).
Gst. 2005, 39):
ingrijpenvan de overheid ter verzekering dat de sociale grondrechten worden geëerbiedigd: [42]
decisionsmeermaals benadrukt dat ondanks de algemene formulering van de beginselen, de lidstaten (desnoods) actief maatregelen dienen te nemen om de rechten uit het verdrag te eerbiedigen. Het door de ECSR in 2008 gepubliceerde document ‘Digest of the case law of the European Committee of Social Rights’ [45] geeft een opsomming van
decisionswaarin deze ‘zorgplicht’ van de lidstaten aan de orde is gesteld: [46]
Digestvan de ECSR blijkt dat deze bepaling (mede) inhoudt de plicht van een staat te voorzien in (betaalbare) kinderopvang: [48]
conclusionter zake van de interpretatie van art. 27(3) ESH oordeelde de ESCR dat het begrip ‘gezinsverantwoordelijkheden’ inhoudt: verplichtingen ten aanzien van directe familieleden die verzorging en ondersteuning behoeven, en dat het derde lid beoogt deze verplichtingen niet in de weg te laten staan aan deelname aan het arbeidsproces: [52]
lokaalbeleid, dat wordt uitgevoerd door een daarvoor goed toegeruste gemeente. [79] Ingevolge art. 1(g)(2) Wmo wordt onder
maatschappelijke ondersteuningverstaan onder meer ‘op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden’.