ECLI:NL:RVS:2012:BW3350
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bevoegdheid minister bij ambtshalve verlening verblijfsvergunning in asielprocedure
De zaak betreft een hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter die oordeelde dat de minister in een asielprocedure ambtshalve moet toetsen of een vreemdeling op grond van artikel 8 EVRM Pro verblijf moet worden toegestaan. De vreemdeling had een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend die was afgewezen. De voorzieningenrechter vernietigde het besluit voor zover het niet was getoetst aan artikel 8 EVRM Pro.
De Raad van State overweegt dat de minister volgens de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 bevoegd is ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder beperkingen, waaronder die verband houdend met artikel 8 EVRM Pro, maar dat deze bevoegdheid niet geldt binnen de asielprocedure. De systematiek van de wet maakt een strikte scheiding tussen verblijfsvergunning regulier en verblijfsvergunning asiel.
De Raad van State stelt vast dat de toevoeging van onderdeel d aan artikel 3.17a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 geen relevante wetswijziging inhoudt voor de vreemdeling en dat de voorzieningenrechter ten onrechte oordeelde dat de minister ambtshalve moest toetsen op grond van artikel 8 EVRM Pro binnen de asielprocedure. Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister bevestigd.