ECLI:NL:RVS:2012:BW4300
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring bij overnameprocedure volgens Terugkeerrichtlijn
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die de bewaring van een vreemdeling onrechtmatig achtte wegens het ontbreken van een terugkeerbesluit. De vreemdeling was in Nederland in bewaring gesteld met het oog op overdracht aan Letland, waar hij een verblijfsrecht heeft.
De Raad van State overweegt dat op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn de minister verplicht is de vreemdeling op te dragen zich onmiddellijk naar de andere lidstaat te begeven, en hem de mogelijkheid moet bieden dit zelfstandig te doen. Pas bij het niet opvolgen van dit bevel kan bewaring worden ingesteld. De minister had dit bevel niet gegeven, waardoor de bewaring vanaf het begin onrechtmatig was.
De minister voerde aan dat de bewaring gerechtvaardigd was op grond van een bilaterale overeenkomst en dat de Terugkeerrichtlijn geen verandering in de bestaande praktijk beoogt. De Raad van State verwierp dit standpunt en benadrukte dat de richtlijn juist een wijziging brengt voor vreemdelingen met verblijfsrecht in een andere lidstaat. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is onrechtmatig verklaard en het hoger beroep van de minister is ongegrond verklaard.