Uitspraak
200707715/1), en anders dan de rechtbank heeft overwogen, mag het college bij zijn besluit op een verzoek om nadeelcompensatie in beginsel van het advies van de deskundige uitgaan, indien uit dat advies op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht.
201100552/1/A2, waarin de StAB toepassing van kapitalisatiefactor 7 adviseert, stelt zij dat haar positie niet vergelijkbaar is met die van de eigenaar van een tankstation in de genoemde zaak, omdat in dat geval de Staat eigenaar is van de ondergrond van het tankstation en de ondernemer huurder is van deze gronden op basis van een privaatrechtelijke vergunning. Voorts heeft de tijdelijkheid van haar leveringscontracten geen invloed op de continuïteit van het bedrijf. Daarbij komt dat het college in navolging van de StAB op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat sprake zou zijn van beëindiging van een leveringsovereenkomst en dat dit bovendien ook hoogst onwaarschijnlijk is.
201100552/1/A2, zie de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2012, kan in dit geval toepassing factor 7 niet worden gebaseerd op het feit dat [appellante sub 2] de ondergrond van het benzinestation huurt en derhalve over een minder sterk recht beschikt, omdat [appellante sub 2] eigenaar is van de ondergrond, alsmede van de opstallen en installaties, die zich daarop bevinden. [appellante sub 2] betoogt voorts terecht dat toepassing van een voor een eigenaar gebruikelijk lagere kapitalisatiefactor niet kan worden gebaseerd op de afhankelijkheid van met oliemaatschappijen gesloten leveringscontracten. Bij een eventuele beëindiging van die contracten zal elke redelijk handelende ondernemer contracten met andere, nieuwe leveranciers sluiten. In zoverre is er evenmin grond om aan te nemen dat die omstandigheid leidt tot een beperking van de duur van het gebruiksrecht. In dit geval dient derhalve de voor een eigenaar gebruikelijke kapitalisatiefactor 10 te worden toegepast voor de berekening van de omvang van de inkomensschade. Dit laat onverlet dat alleen onevenredige schade die voortvloeit uit de verbetering van weggedeelten N343 en N34 ter hoogte van Hardenberg voor vergoeding in aanmerking komt, zoals blijkt uit hetgeen onder 'normaal maatschappelijk risico' wordt overwogen.
200306296/1), geldt als uitgangspunt dat het treffen van een verkeersmaatregel als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden beschouwd, waarmee eenieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van de daardoor getroffenen mogen worden gelaten. Dit neemt niet weg dat zich feiten en omstandigheden kunnen voordoen waardoor een individueel belang ten gevolge van een dergelijke maatregel zodanig zwaar wordt getroffen, dat het uit die maatregel voortvloeiende nadeel redelijkerwijs niet ten laste van betrokkene dient te blijven.
200605120/1is voor het aannemen van risicoaanvaarding niet vereist dat verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vast staat. Evenmin is vereist dat de schadeveroorzakende maatregel in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen in nauwkeurigheid kan worden bepaald. Beslissend is of op het moment van de aankoop van het pand de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot aankoop rekening kon worden gehouden.
200802256/1/M1heeft overwogen, moet uit de strekking van artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht worden afgeleid dat de in dit artikel opgenomen regeling een exclusief kader vormt voor vergoeding door het bestuursorgaan van kosten die verband houden met de behandeling van het bezwaar. Voor vergoeding van deze kosten via een verzoek om een zuiver schadebesluit is dan ook geen plaats. Het college heeft het verzoek in zoverre terecht afgewezen.