Uitspraak
200910237/1/H3wordt bij de toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb niet opnieuw griffierecht geheven. Dit houdt in dat het door [appellant] betaalde griffierecht geacht wordt mede te zijn voldaan voor het beroep tegen het besluit van 23 maart 2009. Het enkele feit dat niet tijdig op het bezwaar is beslist, hoefde voor de rechtbank geen aanleiding te vormen om vergoeding van het griffierecht te gelasten.
200908243/1/H3, waarin is overwogen dat de Wob van toepassing is op het geven van persvoorlichting over een strafzaak en over andere opsporingsberichtgeving.
200904335/1/H3), met juistheid overwogen dat artikel 365 van Pro het WvSv een bijzondere en uitputtende regeling voor openbaarmaking bevat, die aan de Wob derogeert. Artikel 365 van Pro het WvSv geeft een exclusieve bevoegdheid aan de voorzitter van de strafkamer om een afschrift van de in dat artikel vermelde, tot het strafdossier behorende stukken aan derden te verstrekken. Van andere tot het strafdossier behorende stukken wordt, gelet op die uitputtende regeling, geen afschrift of uittreksel verstrekt.
200908243/1/H3) neemt het feit dat de regeling in artikel 39b, eerste lid, van de Wjsg geen aan de Wob derogerende regeling is, niet weg dat artikel 365 van Pro het WvSv voor de in die bepalingen genoemde stukken een uitputtende regeling geeft. Anders dan [appellant] betoogt kan ook de Aanwijzing hieraan niet afdoen omdat de Aanwijzing geen wettelijk voorschrift is. Evenmin volgt uit voormelde uitspraak van 7 juli 2010 dat de Wob in dit geval van toepassing is. De Wob is slechts van toepassing op persvoorlichting voor zover hierop geen andere bijzondere openbaarmakingsregelingen met een uitputtend karakter van toepassing zijn. Zoals hiervoor overwogen doet dat geval zich hier niet voor.
201002672/1/H3vereist artikel 10 van Pro het EVRM niet dat alle informatie wordt verstrekt of wordt openbaar gemaakt en biedt dat artikel staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid bij wet beperkingen te verbinden aan het verstrekken dan wel openbaar maken van gegevens en documenten. Door de regeling in artikel 365 van Pro het WvSv is de beperking van het in artikel 10, eerste lid, van het EVRM vervatte recht om inlichtingen te ontvangen in dit geval bij de wet voorzien. Voorts is voldaan aan het vereiste dat de inbreuk op dat recht noodzakelijk is in het belang van het beschermen van de rechten van anderen, te weten de privacy van in het strafdossier genoemde personen. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister artikel 10 van Pro het EVRM heeft geschonden door niet tot openbaarmaking van de gevraagde documenten over te gaan. Het betoog van [appellant] dat de Wob voldoende mogelijkheden biedt voor de bescherming van de rechten van anderen kan niet slagen, reeds omdat op de door hem gevraagde documenten de openbaarmakingsregeling van artikel 365 van Pro het WvSv van toepassing is.