Uitspraak
201006731/1/M3is overwogen, bevat afdeling 2 van hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder - kort weergegeven en voor zover hier van belang - een regeling volgens welke bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die behoren tot een zone langs een weg, ter zake van de geluidbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, voor woningen gelegen binnen die zone de waarden in acht moeten worden genomen die als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. Als beschermingsniveau geldt in beginsel de waarde die voor de betrokken woning is vastgelegd in de regeling. Indien deze waarde niet wordt gehaald, is het mogelijk om voor de betrokken woning een ander beschermingsniveau te bepalen door middel van het bij besluit vaststellen van een hogere waarde voor die woning.
201109828/1/A1is overwogen, strekt de regeling in de daarin genoemde artikelen in de Wet geluidhinder, waaronder de regeling in artikel 59 van Pro de Wet geluidhinder in samenhang gelezen met de artikelen 44 en 45 van deze wet, zowel ter bescherming van de belangen van bedrijven gevestigd op het industrieterrein als de belangen van omwonenden bij een goed woon- en leefklimaat. De Afdeling ziet thans aanleiding de zinsnede "belangen van omwonenden" in die zin te preciseren dat wordt gedoeld op de belangen van de bewoners en eigenaren van de woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld. De regeling in artikel 59 van Pro de Wet geluidhinder in samenhang gelezen met de artikelen 44 en 45 van die wet, strekt er immers net als artikel 83 van Pro de Wet geluidhinder toe dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidbelasting - na het zo mogelijk treffen van maatregelen - bij de te bouwen woningen vanwege het industrieterrein maximaal mag optreden. Er is geen reden de reikwijdte van de bescherming van artikel 59 van Pro de Wet geluidhinder in samenhang gelezen met de artikelen 44 en 45 van die wet in zoverre ruimer te trekken.