Uitspraak
201001152/1/H2(AB 2010, 329), dat in een procedure over een zuiver schadebesluit van de rechtmatigheid van het niet tijdig beslissen wordt uitgegaan en een bestuursorgaan niet aansprakelijk kan worden gehouden voor schade als gevolg van het niet tijdig beslissen. Voorts heeft de minister volgens de rechtbank niet onderkend dat [vreemdeling] in het verzoek om vergoeding van schade geen beroep op artikel 6 van Pro het EVRM heeft gedaan.
200704652/1, AB 2009, 70), het aan artikel 6 van Pro het EVRM ten grondslag liggende beginsel van rechtszekerheid ook in procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen geldt en ertoe noopt dat die procedures binnen een redelijke termijn worden beslecht, waarbij wordt aangesloten bij de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens over de uitleg van artikel 6 van Pro het EVRM. Uit deze jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn voor de beslechting van een procedure, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld.
200901365/2/H2(JV 2009/326). De uitspraak heeft betrekking op een verzoek om vergoeding van immateriële schade als gevolg van de lange duur van de procedures over het verblijf van de betreffende vreemdeling. Uit de verwijzing naar de uitspraak valt af te leiden dat, zoals de minister betoogt, hij heeft onderkend dat [vreemdeling] in het verzoek om vergoeding van schade niet een beroep op artikel 6 van Pro het EVRM heeft gedaan, maar op het beginsel van rechtszekerheid. Dit onderdeel van het betoog slaagt derhalve evenzeer.