Uitspraak
201011477/1/H1), dient bij de beantwoording van de vraag of voorzien wordt in voldoende parkeermogelijkheden, alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat een reeds bestaand tekort buiten beschouwing mag worden gelaten. Voor het oordeel dat het college ten onrechte de parkeerdruk in de bestaande situatie niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken, bestaat dan ook geen grond. Het college heeft de parkeerbehoefte van het bouwplan aan de hand van de parkeerkencijfers, vermeld in de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen in de bebouwde kom (ASVV 2004), vastgesteld op 30,4 parkeerplaatsen. In hetgeen is aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet van de ASVV 2004 uit mocht gaan. Het bouwplan voorziet in de aanleg van 19 parkeerplaatsen in een inpandige stallingsgarage en 14 parkeerplaatsen rondom de bebouwing. Ter zitting is komen vast te staan dat deze parkeerplaatsen aan de vereiste maatvoering voldoen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bouwplan aldus in voldoende parkeerplaatsen voorziet, ook wanneer ervan wordt uitgegaan dat als gevolg van de voorziene inrit van de garage twee openbare parkeerplaatsen komen te vervallen. Zij heeft voorts terecht niet aannemelijk gemaakt geacht dat als gevolg van het bouwplan de verkeersveiligheid niet langer is gewaarborgd.