Uitspraak
200600136/1, die ziet op het besluit omtrent goedkeuring van het college van gedeputeerde staten inzake het plan "Buitengebied" (2005), volgt volgens de raad dat de door [appellante sub 4] gewenste bedrijfsbestemming op de onderhavige locatie niet gerechtvaardigd is nu haar beroep tegen de onthouding van goedkeuring ten aanzien van het desbetreffende plandeel ongegrond is verklaard. De omstandigheden zijn nadien ter plaatse niet veranderd, aldus de raad. Daarnaast zijn de door [appellante sub 4] genoemde vrijstellingen in het verleden verleend ten behoeve van een tijdelijk bedrijf en thans derhalve niet van belang, aldus de raad. Thans is voor het perceel van [appellante sub 4] een vergunning aangevraagd en door het college van burgemeester en wethouders verleend voor de sloop van een magazijn, kantoor en loodsen, aldus de raad. Verder had [appellante sub 4] ten tijde van de vaststelling van het plan volgens de raad geen concreet bouwvoornemen en lag het opnemen van een bouwvlak ook daarom niet in de rede. Tot slot stelt de raad zich op het standpunt dat de agrarische bestemming binnen de planperiode gerealiseerd kan worden, nu in het besluit van het college van gedeputeerde staten van 8 januari 2002 met betrekking tot de melding de bodem te saneren staat dat uiterlijk voor het jaar 2015 met de sanering van het perceel [locatie 5] moet worden gestart.