Uitspraak
201008437/1/H3), vormt de enkele omstandigheid dat het op schrift stellen en bekendmaken van de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet zo spoedig mogelijk zou hebben plaats gevonden, wat daarvan ook zij, wel een schending van artikel 5:24, zesde lid, van de Awb, maar betekent dit op zichzelf nog niet dat daardoor de beslissing tot de toepassing van de bestuursdwang alsnog onrechtmatig wordt. Nu [appellant] de rechtmatigheid van de beslissing in bezwaar en beroep heeft kunnen aanvechten, heeft de rechtbank in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen grond gevonden om aan het verstrijken van een periode van 23 dagen de door [appellant] gewenste gevolgen te verbinden. Het betoog faalt.
201111923/1/A1) kunnen, behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van Pro de Awb, nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.
200802629/1) moet de vraag of een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, zaak nr. 30979/96, AB 2001, 86 en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006, 134).
200909271/1/H3heeft de Afdeling dat besluit op bezwaar vernietigd. Ten gevolge van deze uitspraak heeft het college bij besluit van 15 februari 2011 opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant].