Uitspraak
201201863/1/R4naar voren gebracht in het kader van het beroep dat hij tegen het besluit van 4 oktober 2011 tot vaststelling van de hogere geluidgrenswaarden heeft ingesteld. Het akoestisch onderzoek is tevens ten grondslag gelegd aan dat besluit. Bij uitspraak van heden in de eerdergenoemde zaak heeft de Afdeling overwogen dat dit betoog van [appellant sub 6] faalt. De Afdeling ziet ten aanzien van het thans aan de orde zijnde besluit tot het vaststellen van het plan in hetgeen [appellant sub 6] aan de orde heeft gesteld, geen aanleiding voor een andere conclusie. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat provinciale staten in zoverre niet van het akoestisch onderzoek hebben mogen uitgaan.
201201863/1/R4, inzake de tegen het besluit tot vaststelling van de hogere geluidgrenswaarden ingestelde beroepen, geen sprake van een op grond van hoofdstuk 8 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart vastgesteld beperkingengebied, zodat niet op grond van de Wgh een verplichting bestaat om bij het onderzoek naar de effecten van samenloop van de geluidbronnen rekening te houden met de geluidbelasting ten gevolge van het vliegverkeer. De Afdeling acht niet aannemelijk dat de bijdrage van het burgerluchtvaartverkeer desondanks in relevante mate bijdraagt aan de gecumuleerde geluidbelasting.
201011757/1/R1 en 20102728/1/R1(Parkstad Limburg) - de effecten van de toename van de stikstofdepositie ten gevolge van de N381 in relatie tot het behalen van de verbeterdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habittattypen inzichtelijk zijn gemaakt.
200604924/1) mogen zulke mitigerende maatregelen bij de passende beoordeling worden betrokken. De Stichting heeft geen concrete gegevens naar voren gebracht op grond waarvan hieraan moet worden getwijfeld.
200900425/1/R2 en 200902744/1/R2. In navolging hiervan overweegt de Afdeling dat artikel 19g, derde lid, van de Nbw 1998 zo moet worden gelezen dat de daarin vervatte voorwaarden alleen van toepassing zijn indien uit de passende beoordeling niet de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van een prioritair habitattype niet worden aangetast vanwege een of meerdere projecten. Op grond van de in de passende beoordeling vervatte conclusie ten aanzien van het prioritaire habittatype Actieve Hoogvenen, subttype heideveentjes, hebben provinciale staten terecht aangenomen dat ten aanzien van dit habittattype die zekerheid aanwezig is.
201103110/1/R3) - het plan niet had mogen worden vastgesteld, indien en voor zover op voorhand in redelijkheid had moeten worden ingezien dat de Ffw aan de uitvoering van het plan in de weg staat. Ten behoeve van deze beoordeling zijn de door Buro Bakker opgestelde rapporten "onderzoek Flora en fauna en opstellen compensatiepakketten naar aanleiding van de omvorming N381 Drachten - provinciale grens Drenthe" van 2007 en "Compensatie- en mitigatieplan N381 Drachten - Drentse grens" van 2010 van belang. Uit laatstgenoemd rapport volgt dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoering van het plan in de weg staat.