Uitspraak
200905556/1/H2), dient de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb ertoe de subsidieontvanger in staat te stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de beëindiging van de subsidierelatie te ondervangen.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag besloot de subsidie aan Stichting Haags Milieucentrum vanaf 2011 stapsgewijs te korten en per 2013 te beëindigen. De stichting maakte bezwaar tegen de korte termijn tussen besluit en ingang van de korting. De rechtbank oordeelde dat de termijn voor 2011 te kort was en stelde deze uit tot zes maanden na het besluit, maar liet de termijnen voor 2012 en 2013 ongewijzigd.
De stichting ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelde dat ook de termijnen voor 2012 en 2013 en de beëindiging met zes maanden hadden moeten worden uitgesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht alleen de termijn voor 2011 had verdagen, omdat de termijnen voor 2012 en 2013 voldoende waren om maatregelen te treffen.
Verder stelde de stichting dat de redelijke termijn pas vanaf 18 december 2010 had moeten lopen, maar de Afdeling bevestigde dat de termijn terecht vanaf 17 december 2010 werd gerekend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de stichting wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.