Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2016, die een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €5.677 omvatte. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn en wees het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag af omdat dit te laat was ingediend.
Belanghebbende stelde dat zij geen gelegenheid had gekregen om het bezwaar schriftelijk toe te lichten en dat de overschrijding van de termijnen verschoonbaar was vanwege een nieuw juridisch inzicht na het kerstarrest van de Hoge Raad. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende had afgezien van mondelinge toelichting en dat de inspecteur het inzagerecht niet had geschonden. De overschrijding van de termijnen werd niet als verschoonbaar beschouwd omdat de aanslag tijdig bekend was en het nieuwe inzicht niet tot een verlenging leidt.
De rechtbank bevestigde dat de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaarde en het verzoek om ambtshalve vermindering terecht afwees. De rechtbank kon ondanks de niet-ontvankelijkheid het verzoek beoordelen omdat de inspecteur instemde met overslaan van de bezwaarfase. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de aanslag in stand bleef en belanghebbende geen griffierecht of proceskostenvergoeding kreeg.