ECLI:NL:RVS:2012:BY7389
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan wegens niet aannemelijke samenwoning
De minister van Justitie wees de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan af wegens onvoldoende bewijs van daadwerkelijke samenwoning met zijn referente. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit. De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad oordeelde dat het huisbezoek, hoewel voorafgaand binnentreden in strijd was met artikel 1 van Pro de Awbi omdat het doel niet werd medegedeeld, het verkregen bewijs toch mocht worden gebruikt omdat het binnentreden niet zodanig onzorgvuldig was dat het bewijs ontoelaatbaar was. De Raad stelde vast dat de brief van 9 juli 2010 het huisbezoek aankondigde en het doel redelijkerwijs bekend was.
De vreemdeling voerde aan dat het huisbezoek deel uitmaakte van een systematische controle zonder gegrond vermoeden van misbruik, maar de Raad vond op basis van een onderzoeksverzoek dat een gegrond vermoeden wel bestond. Verder faalden de bezwaren van de vreemdeling tegen de inhoud van het huisbezoek, waaronder communicatieproblemen en tegenwerpingen over kleding en aanwezigheid van derden.
De Raad verwierp ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro en artikel 7 Handvest Pro EU, omdat geen sprake was van een duurzame relatie en gemeenschappelijke huishouding. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het verblijfsdocument gehandhaafd.