Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
mr. P.J. Wattel
Advocaat-Generaal
1.Overzicht
Tallon-criterium. Er waren Duitse infiltranten ingezet en oncontroleerbaar is gebleven of de infiltratie de verdachte tot andere strafbare feiten had gebracht dan die waarop zijn opzet tevoren reeds was gericht; de Duitse autoriteiten wensten geen opheldering te geven over de infiltratie.
Tallon-criterium daarvoor van onvoldoende gewicht is en (iii) niet is komen vast te staan dat het
Tallon-criterium daadwerkelijk geschonden is, zodat evenmin vast is komen te staan dat het om een onherstelbaar vormverzuim zou gaan. Het Hof oordeelde daarom dat geen rechtsregel in de weg staat aan het gebruik door de Inspecteur van het strafrechtelijke bewijsmateriaal tot substantiëring van de bestreden navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen.
de (on)rechtmatigheidvan de verkrijgingswijze van strafvorderlijk verkregen bewijsmateriaal aangesloten wordt bij het oordeel van de strafrechter;
gevolgenvan strafvorderlijke onrechtmatigheid voor het
gebruikvan strafvorderlijk onrechtmatig verkregen materiaal voor bestuurlijke beboeting in beginsel eveneens wordt aangesloten bij het strafrecht, nl. bij de strafvorderlijke regels voor consequenties van vormverzuim, zij het met inherente afwijkingsmogelijkheid voor de bestuursrechter op basis van verschil tussen de strafbare feiten ter zake waarvan het opsporingsonderzoek liep (in casu: valsemunterij en heling) en de fiscale vergrijpen ter zake waarvan het voornemen tot bestuurlijke beboeting bestaat (zoals in casu: opzet op te lage inkomstenbelastingheffing); en
niet-punitief gebruik van strafvorderlijk onrechtmatig verkregen materiaal (zoals aanslagoplegging) aangesloten wordt bij het bestaande toetsingskader voor bestuurlijk ‘onbevoegdelijk’ verkregen bewijsmateriaal: de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
criminal chargeex art. 6 EVRM Pro en art. 47 EU Pro-Handvest. Heeft de strafrechter de rechtmatigheid van de bewijsvergaring beoordeeld, dan behoort de bestuursrechter mijns inziens van diens (on)rechtmatigheidsoordeel uit te gaan en geen eigen, daarvan afwijkend oordeel te geven. Is bewijsmateriaal strafvorderlijk op dubieuze wijze verkregen, maar is de verkrijgingswijze niet door de strafrechter beoordeeld (omdat het niet tot een vervolging is gekomen), dan behoort de bestuurlijke-boeterechter mijns inziens bij zijn alsdan zelfstandig te vellen (on)rechtmatigheidsoordeel even zeer het strafrechtelijke beoordelingskader aan te leggen en te oordelen zoals de strafrechter gedaan zou hebben. Hoewel ik niet geheel wil uitsluiten dat de bestuurlijke-boeterechter tot een ander oordeel over de (on)rechtmatigheid van de strafvorderlijke bewijsvergaring zou kunnen komen dan de strafrechter is of zou zijn gekomen, meen ik dat dit slechts in zéér bijzondere, door de bestuurlijke-boeterechter omstandig gemotiveerd uiteen te zetten omstandigheden wenselijk zou kunnen zijn.
gevolgenvan strafvorderlijk onrechtmatige bewijsvergaring voor het gebruik van het onrechtmatig vergaarde materiaal. De strafrechter kan aan onrechtmatigbevinding van bewijsvergaring vier gevolgen verbinden, afhankelijk van onder meer de ernst van de onrechtmatigheid (art. 359a Sv): (i) nihil; (ii) strafvermindering; (iii) bewijsuitsluiting; en (iv) niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in haar strafvervolging.
gevolgenmoet de bestuurlijke-boeterechter dus wel een zelfstandig, mogelijk van dat van de strafrechter afwijkend oordeel geven, al zou het uit een oogpunt van rechtseenheid de voorkeur hebben dat hij zich niet onnodig verwijdert van het beleid van de laatste. Dat betekent dat verschil in gevolgen zoveel mogelijk verklaard moet kunnen worden door verschil tussen het strafbare feit waar het in het strafvorderlijke traject om ging (in casu: valsemunterij en heling) en het vergrijp waar het in het bestuurlijk-punitieve traject om gaat (in casu: opzet op te lage inkomstenbelastingheffing). In wezen gaat het dan niet om afwijking van het strafrecht: de zelfstandige afweging die de bestuursrechter hier maakt, zal immers vergelijkbaar zijn met de afweging die de strafrechter gemaakt zou hebben als het in het strafrechtelijke traject om min of meer hetzelfde delict (opzettelijk onjuiste aangifte inkomstenbelasting) zou zijn gegaan. Aan strafvorderlijke onrechtmatigheid van bewijsvergaring kunnen in beginsel dus voor het bestuurlijk-punitieve gebruik van het onrechtmatig vergaarde materiaal dezelfde gevolgen verbonden worden als daaraan in het strafrecht verbonden zouden worden als het om naar strekking vergelijkbare delicten gaat.
niet-punitieve doeleinden, zoals aanslagoplegging, kan de bestuursrechter aansluiten bij de bestaande jurisprudentie over bestuursrechtelijk (door de fiscus zelf als toezichthouder- belastingheffer) ‘onbevoegdelijk’ verkregen bewijsmateriaal. Tegen vergaand gebruik van controlebevoegdheden door de fiscus worden belasting- en inhoudingsplichtigen beschermd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (HR BNB 1988/160). Ook bij gebruik van strafvorderlijk onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal voor de heffing zou, net als bij gebruik van ‘onbevoegdelijk’ met controlemiddelen verkregen materiaal, met inachtneming van alle relevante omstandigheden moeten worden beoordeeld of de fiscus handelt in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Is dat het geval, dan moet op basis van de ernst van de schending beoordeeld worden welke gevolgen dat heeft voor heffingsgebruik. Voor de hand liggen opnieuw de gevolgen: (i) nihil; (ii) bewijsuitsluiting; (iii) vermindering van de aanslag en (iv) vernietiging van de aanslag, maar ook (v) schadevergoeding op basis of naar analogie van art. 8:73 (oud) Awb, al is juist die laatste mogelijkheid naar huidig recht uiterst beperkt.
niet-punitieve gebruik van strafvorderlijk onrechtmatig verkregen bewijs kan, zoals u reeds deed in HR BNB 1992/306, bijzonder belang worden gehecht aan de mogelijkheden die de fiscus zelf had gehad om het strafvorderlijke materiaal te verkrijgen door middel van (rechtmatige) uitoefening van zijn controlebevoegdheden.
fair hearingeis ex art. 6 EVRM Pro).
strafvorderlijkgebruik van
bestuursrechtelijk(met controlebevoegdheden) onbehoorlijk verkregen bewijsmateriaal. De vragen of de strafrechter zich zou moeten conformeren aan het (on)behoorlijkheidsoordeel van de bestuursrechter en welke strafvorderlijke gevolgen aan een dergelijk onbehoorlijkheidsoordeel verbonden moeten worden, zullen moeten worden beantwoord door uw strafkamer.
Tallon-criterium onvoldoende is om van ‘zozeer onbehoorlijk’ te spreken. Dat oordeel is mijns inziens rechtskundig onjuist, omdat het voor het onrechtmatigheidsoordeel afwijkt van het onherroepelijke oordeel van de gespecialiseerde strafrechter dat het bewijsmateriaal op jegens de belanghebbende te schimmige wijze is verkregen om tegen hem toegelaten te worden voor punitieve doeleinden. Bij dat onrechtmatigheidsoordeel moet de bestuursrechter zich mijns inziens aansluiten. ’s Hofs oordeel is mijns inziens voorts zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, omdat (a) het Hof niet op basis van het verschil tussen de vervolgde en de beboete delicten heeft gemotiveerd waarom hij voor de gevolgen van de onrechtmatigheid voor beboetingsdoeleinden afwijkt van de gevolgen die de strafrechter daar aan verbond, en (b) ’s Hofs gebruiksoordeel niet in overeenstemming is met het boven geschetste, meer genuanceerde stelsel, waarin onbehoorlijkheid of schimmigheid die weliswaar onvoldoende geacht wordt voor bewijsuitsluiting, wél voldoende kan zijn voor boetevermindering, hetgeen dus alsnog beoordeeld moet worden.
voor de aanslagoplegging(voor niet-punitief gebruik) moet mijns inziens niet beoordeeld worden op basis van alleen het ‘zozeer’-criterium ex HR BNB 1992/306, zoals het Hof heeft gedaan, maar door toetsing aan alle in aanmerking komende beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldig-heidsbeginsel. De strafrechter heeft niet kunnen beoordelen of c.q. hoe onrechtmatig de bewijsgaring was, nu de Duitse infiltratie aan zijn beoordeling onttrokken bleef. Het Hof heeft het handelen van de Duitse infiltranten evenmin onderzocht, noch enig nieuw of ander feit vastgesteld met betrekking tot de verkrijgingswijze van het infiltratieresultaat dat aan de basis lag van het overige bewijsmateriaal. ’s Hofs (impliciete) oordeel dat noch met deze bewijsvergaring, noch met het niet-punitieve gebruik ervan door de Inspecteur enig beginsel van behoorlijk bestuur wordt geschonden, is dan zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Minstens zou onderzocht hebben moeten worden of de Inspecteur, als hij jegens de belanghebbende zijn wettelijke controlebevoegdheden uitgeoefend had, de informatie langs rechtmatige weg had kunnen verkrijgen. Het Hof heeft ook niet vastgesteld hoe het strafvorderlijk ontoelaatbare bewijsmateriaal in handen van de fiscus is geraakt.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
PROPORTIONALITEIT EN SUBSIDIARITEIT
3.Het geding in cassatie
nietonrechtmatig jegens de belanghebbende zou zijn verlopen; de belanghebbende verwijst naar CRvB-rechtspraak. [3] Het strafvorderlijke onderzoek was wel degelijk ook op de belanghebbende gericht; in de zaak HR BNB 1992/306 daarentegen, waarnaar het Hof verwijst, was de belastingplichtige niet het voorwerp van de mogelijk onrechtmatige huiszoeking. De strafrechter is in casu de mogelijkheid onthouden om de rechtmatigheid van de infiltratie te beoordelen omdat de Duitse autoriteiten weigerden informatie te verstrekken. De strafrechter heeft daaruit onherroepelijk het gevolg getrokken dat de bewijsgaring jegens de belanghebbende onrechtmatig was. ‘s Hofs daarvan afwijkende oordeel is onjuist en onbegrijpelijk.
Tallon-criterium is geschonden. Daarmee is niet vastgesteld dat het bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen. Het stond de Inspecteur vrij om gebruik te maken van zijn bevoegdheden ex art. 55 AWR Pro (vgl. HR BNB 2008/159). De belanghebbende leest de door hem aangevoerde CRvB-uitspraak verkeerd. Die uitspraak strookt met de vaste jurisprudentie (zie HR BNB 1992/306 en HR BNB 2004/225) dat de belastingrechter niet gebonden is aan een strafrechtelijke uitspraak en zelfstandig de feiten vaststelt. Het Hof heeft ook niet geoordeeld dat HR BNB 1992/306 niet meer geldt, maar slechts dat ook als het niet meer zou gelden, strafrechtelijke ontwikkelingen onvoldoende grond bieden om het bewijsmateriaal buiten aanmerking te laten. Het gaat overigens om een ten overvloede gegeven oordeel. Het Hof heeft niet art. 359a Sv in een fiscale zaak toegepast, maar slechts geoordeeld dat jegens de belanghebbende in strafrechtelijke zin geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, zodat dat bewijs zeker in een fiscale zaak gebruikt mag worden. Het Hof heeft evenmin geoordeeld dat zich een vormverzuim zou hebben voorgedaan. Jegens de belanghebbende kan geen sprake zijn geweest van uitlokking, nu niet is gebleken van contact tussen hem en de Duitse infiltranten. Nu niet is vastgesteld dat de bewijsverkrijging onrechtmatig was, druist de handelwijze van de Inspecteur niet zozeer in tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het bewijsmateriaal niet kan worden gebruikt in een fiscale procedure.
4.Onrechtmatig verkregen bewijs in het strafrecht
Schutznorm- of relativiteitsleer). [8] Hetzelfde geldt als de geschonden regel niet geschreven is om het belang van de verdachte te beschermen. [9] In zeer uitzonderlijke gevallen wordt afgeweken van de regel dat onrechtmatig handelen alleen consequenties heeft als er rechtens relevant nadeel uit voortvloeide, [10] hoewel in de literatuur twijfel is geuit of die uitzonderlijke afwijking nog geldend recht is. [11]
Tallon-arrest [14] noemde uw strafkamer deze mogelijkheid voor het eerst; in het
Zwolsman-arrest [15] gaf zij criteria voor dergelijke niet-ontvankelijkverklaring:
Zwolsmaneindigde overigens niet in niet-ontvankelijkheid van het OM.
5.Onbevoegdelijk verkregen bewijs in het belasting(heffings)recht
criminal chargeopleveren in de zin van art. 6 EVRM Pro werd toen kennelijk nog niet gedacht.
coffeeshopbezocht, waar misschien ook wel koffie werd verkocht, maar toch in belangrijker mate psychotrope stoffen, en omzetgegevens van de dienstdoende werknemer gevorderd. De eigenaren – de belanghebbende en diens medevennoot – waren niet aanwezig en de werknemer mocht ook geen contact met hen opnemen. Van het bezoek werd geen verslag geproduceerd en de inspecteur kon ter zitting van het Hof Amsterdam de aanleiding voor het bezoek niet ophelderen. Het Hof oordeelde dat art. 47 AWR Pro de inspecteur niet de bevoegdheid geeft om zonder tussenkomst van de ondernemingsleiding omzetgegevens te vorderen van een personeelslid, en liet de van de werknemer verkregen informatie buiten beschouwing. Ook dit geschil betrof zowel enkelvoudige belasting als een boete (verhoging). U overwoog in cassatie:
fair playbeginsel geschonden achtte.
nemo tenetur) kan tot gevolg hebben dat door de fiscus onder dwang gevorderd bewijsmateriaal, de beschikbaarheid waarvan afhangt van de wil van de verdachte, alleen gebruikt mag worden ten behoeve van de belastingheffing en niet voor bestuurlijke beboeting. [35]
testimonial or communicativekarakter (zie de onderdelen 6.3, 6.7 en 10.1 - 10.3 van mijn conclusie voor HR NJ 2013/435) wordt echter uitgesloten van gebruik voor bewijs in de punitieve procedure.
6.Fiscaal-bestuurlijk gebruik van strafvorderlijk onrechtmatig verkregen bewijs
jegens de belanghebbendewas: [38]
détournement de pouvoir) (HR BNB 1992/387) [41]
criminal chargeals die Nederlandse autoriteiten weten dat die gegevens afkomstig zijn uit diefstal of verduistering en zij al vóór de verstrekking wisten dat herkomst en originaliteit van die gegevens dubieus waren en dat de gegevens onder het Luxemburgse wettelijke bankgeheim vielen. [47]
cashgevonden was hoewel hij niet over inkomen leek te kunnen beschikken. Daarbij werd de fiscus ook meegedeeld dat de belanghebbende was vrijgesproken vanwege onrechtmatige schending van het huisrecht. Op basis daarvan diende de inspecteur ex art. 55 AWR Pro een verzoek in tot gegevensverstrekking bij de bevoegde officier van justitie, die daaraan voldeed, waarna de inspecteur op basis van het strafdossier navorderingsaanslagen en boeten oplegde. De belastingkamer van de rechtbank Noord-Holland oordeelde als volgt over deze verkrijgingswijze en dit gebruik van het strafvorderlijke bewijsmateriaal:
Strafvorderlijk gebruik van bestuursrechtelijk onbevoegdelijk verkregen materiaal
BNB1992/243 betoogde de belanghebbende tegen wie strafvervolging was ingesteld, dat de in art. 29(2)(oud) AWR (thans art. 27e AWR) voorziene omkering van de bewijslast niet kon worden toegepast omdat hem een zwijgrecht toekwam, zodat hij geen aangifte hoefde te doen. U oordeelde: [52]
BNB1989/229: [53]
strafrechtelijk(in de opsporingssfeer) verkregen bewijs.
onbevoegdelijkverkregen bewijsmateriaal is mij geen jurisprudentie van uw strafkamer bekend. Valkenburg acht die situatie tamelijk academisch: [55]
onrechtmatigverkregen informatie uit de controlefase bruikbaar is in de fiscale strafprocedure. De controlebevoegdheden in de AWR zijn immers dermate ruim dat overschrijding van die bevoegdheden zich niet gemakkelijk zal voordoen. In de literatuur is verdedigd dat in zo’n situatie dat materiaal slechts strafrechtelijk onbruikbaar zou zijn, wanneer niet meer kan worden gesproken van een ‘fair hearing’ of er sprake is van strijd met beginselen van goede procesorde. De belastingkamer van de Hoge Raad lijkt ook in deze richting te denken. In zijn arrest van 11 december 1991,
BNB1992/243 heeft hij namelijk de mogelijkheid erkend dat bewijsmateriaal verkregen onder druk van een antwoordplicht, afhankelijk van de specifieke omstandigheden waaronder het bewijs ter beschikking is gekomen, onbruikbaar kan zijn voor bestraffingsdoeleinden. De strafkamer heeft zich bij mijn weten hierover nog niet uitgelaten.”
strafprocesrechtelijkegeschreven en ongeschreven vormvoorschriften (…). Toch lijkt het mij logisch dat de strafrechter in een voorkomend geval vanuit de in art. 359a Sv geschetste lijnen probeert zijn beslissing te geven.”
Voorlopig resultaat: overzicht van toelaatbaarheid van gebruik van onregelmatig verkregen bewijsmateriaal naar huidig recht
9.Interne rechtsvergelijking: de andere hoogste bestuursrechters
criminal chargein de zin van art. 6 EVRM Pro - zou zijn, hetgeen mij discutabel lijkt; PJW]. De resultaten van het onderhavige huisbezoek dienen derhalve buiten beschouwing te worden gelaten. Ander bewijs op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat betrokkene zijn inlichtingenplicht heeft geschonden is niet voorhanden. Dit betekent dat het besluit van 24 maart 2006 op een onvoldoende draagkrachtige motivering berust en daarom in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.”
Thansis dus wellicht juist onbehoorlijk de mededeling dat niet-meewerken aan het onderzoek
nietdirect van invloed is op het recht op bijstand.
USZ2009/381) zag hierin een ‘nieuw criterium’:
De maatstaf voor beoordeling van gebruik vanstrafvorderlijkonrechtmatig verkregen bewijs voorbestuurlijke beboetinguit een oogpunt van rechtseenheid
binnenhet proces voor de belastingrechter (vermoedelijk omdat de boete destijds (tot 1998) een verhoging van de belastingaanslag was, gevolgd door een kwijtscheldingsbesluit), moet mijns inziens thans gestreefd worden naar zoveel mogelijk rechtseenheid bij de beoordeling van punitieve sancties die onder art. 6 EVRM Pro vallen, ongeacht of zij door de gewone strafrechter, de fiscale bestuursrechter of de niet-fiscale bestuursrechter worden beoordeeld.
nemo teneturbeginsel niet gebruikt worden voor beboetingsdoeleinden, maar wel voor heffingsdoeleinden. [86] (v) Ook kan het afschermen van ambtenaren, getuigen of tipgevers en niet-overlegging van het volledige boetedossier (weigeren van toegang tot het ‘strafdossier’) op grond van art. 6 EVRM Pro gevolgen hebben voor de toelaatbaarheid van bestuurlijke beboeting die kunnen afwijken van die voor de toelaatbaarheid van belastingheffing. [87]
criminal chargeof
civil obligationen valt het procesrecht ter zake dan ook niet onder art. 6 EVRM Pro [88] en is (fiscaal-)bestuurlijke beboeting wél een
criminal chargein de zin van die bepaling, hetgeen noopt tot zeer vele afwijkingen van het ordinaire niet-punitieve bestuursprocesrecht.
alhet bestuursrechtelijke bewijsrecht te codificeren lijkt manifest onjuist en is in elk geval geheel ongesubstantieerd.
hetzelfdestrafvorderlijk onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal bij
alle criminal chargester zake van hetzelfde materiële feit dezelfde beoordelingsmaatstaf wordt aangelegd. Voor het onrechtmatigheidsoordeel ter zake van hetzelfde strafvorderlijk onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal zou mijns inziens de bestraffende bestuursrechter de straf(proces)rechtelijke maatstaven moeten gebruiken en het oordeel van zijn strafrechtelijke collega moeten volgen. Voor het daarop volgende
bruikbaarheidsoordeel geldt dat niet, nu het strafbare feit dat in de strafprocedure vervolgd werd vaak niet (materieel) gelijk zal zijn aan het beboetbare feit dat voor de bestuursrechter komt, gegeven het
una viastelsel ex art. art. 5:44 Awb Pro (tot 1 juli 2009 art. 67oart. 67o en art. 69aart. 69a AWR): als een fiscaal delict voor de strafrechter is gekomen, kan het niet beboet worden. Het zal in het punitieve belastingrecht juist gaan om gevallen zoals dat van de belanghebbende, waarin de strafzaak tegen hem valsemunterij en heling betrof, terwijl zijn boetezaak de verzwijging van de inkomsten daaruit betreft.
gebruikvan het besmette materiaal voor punitieve doeleinden zou de ongenuanceerde ‘zozeer onbehoorlijk’-formule (zie 6.1) mijns inziens verlaten moeten worden en aansluiting gezocht moeten worden bij de genuanceerdere benadering in het strafrecht, met vier sanctiemogelijkheden, waaronder de in het punitieve belastingrecht thans nog onbekende mogelijkheden om de boete te verminderen en om de boetebeschikking geheel te vernietigen ongeacht of voldoende ander bewijs voorhanden is. De ‘zozeer onbehoorlijk’-formule zou gereserveerd kunnen worden voor alleen die laatste mogelijkheid: als het overheidsoptreden zo grof onbehoorlijk was dat de strafrechter het OM niet-ontvankelijk verklaarde of zou hebben verklaard, dan kan (ook) de belastingrechter de boetebeschikking die gebaseerd is op hetzelfde zozeer onbehoorlijk verkregen bewijsmateriaal vernietigen ongeacht ander wellicht niet-besmet bewijsmateriaal.
una viastelsel van art. 5:44 Awb Pro, om verschillende delicten: het beboete delict is een fiscaal vergrijp en het vervolgde delict een (kennelijk lucratief) niet-fiscaal delict. Het ex art 359a Sv verbinden van gevolg aan onrechtmatige bewijsvergaring is voorts een bevoegdheid en niet een plicht (zie HR NJ 2004/376, r.o. 3.6.1, in onderdeel 4.13 hierboven: hij kan desgeraden ook afzien van sanctionering). De bestraffende bestuursrechter kan dus tot een andere afweging en daarmee een ander bruikbaarheidsoordeel komen dan de strafrechter kwam of zou komen. Bij de beoordeling of in de strafprocedure tegen een huurmoordenaar onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal moet worden uitgesloten zullen onder meer de ernst van het strafbare feit en de rechten van slachtoffers en hun nabestaanden anders gewogen worden dan in de procedure voor de belastingrechter over de vergrijpboete voor verzwijging van de inkomsten uit huurmoord. De fiscale-boeterechter zou mijns inziens wel, indien hij een ander gevolg aan de strafvorderlijke onrechtmatigheid verbindt dan de strafrechter, die afwijking moeten motiveren op basis van het verschil tussen de vervolgde gedraging en het vervolgde feit.
De maatstaf voor beoordeling van gebruik vanstrafvorderlijkonrechtmatig verkregen bewijs voorde belastingheffing
incidentniet zo ernstig verzuim zo vaak voorkomt dat het een
structureelkarakter krijgt (zie 4.14, r.o. 2.4.6.). Ook in zo’n geval ligt doorwerking van de bewijsuitsluiting naar de belastingheffing niet voor de hand. Ook al is bewijsmateriaal strafrechtelijk onbruikbaar, dat betekent niet dat
elkgebruik door de fiscus verboden is (zie 6.1, r.o. 3.2.2, hierboven).
onrechtmatig handelen gaat. Nu schadevergoeding naar huidig recht veelal niet mogelijk is (zie de voetnoten 109 en 110), meen ik dat aansluiting te zoeken ware bij het genuanceerde sanctiepalet uit het straf(proces)recht, aangepast voor niet-punitief bestuurlijk gebruik (voor punitief gebruik heb ik in 10.21 de aansluiting met het strafrecht gemaakt). Ook de andere hoogste bestuursrechters, die u eerder volgden in het ‘zozeer indruist’-criterium, zouden deze genuanceerder benadering kunnen volgen.
if any), eveneens in navolging van de strafrechter, rekening kunnen houden met onder meer (i) het belang dat het geschonden beginsel dient, (ii) de ernst van onbehoorlijkheid, (iii) de mate van verwijt-baarheid, (iv) het nadeel dat er door wordt veroorzaakt, (v) in hoeverre de belanghebbende daadwerkelijk is geschaad, (vi) negatieve effecten van het verbinden van rechtsgevolg aan de onrechtmatigheid, en (vii) de (overige) individuele omstandigheden van het geval.
Overzicht van toelaatbaarheid van gebruik van onregelmatig verkregen bewijsmateriaal naar wenselijk recht
13.Toepassing op belanghebbendes zaak; beoordeling van het cassatieberoep
criminal chargeinhoudt) dezelfde onrechtmatigheidscriteria als de strafvorderlijke toe te passen. Het Hof heeft in casu, in afwijking van de strafrechter, met verwijzing naar HR BNB 1992/306 geoordeeld dat het bewijsmateriaal niet jegens de belanghebbende onrechtmatig is verkregen en het gebruik ervan voor de heffing én de beboeting toegelaten. Hoewel belanghebbendes cassatiemiddelen – eveneens uitgaande van HR BNB 1992/306 – er andere argumenten voor aanvoeren, meen ik dat zijn beroep slaagt in zoverre het klaagt dat het Hof niet de juiste maatstaf heeft aangelegd om te beoordelen of het bewijsmateriaal als onrechtmatig verkregen moet worden aangemerkt. Het had bij zijn (on)rechtmatigheidsoordeel de kracht van gewijsde van de strafrechter moeten volgen. Het onrechtmatigheidsoordeel van de strafrechter lijkt ook geenszins onjuist. In de MvT bij de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden heeft de medewetgever uiteengezet dat de rechter die onvoldoende informatie krijgt [114] om de verkrijgingswijze van bewijsmateriaal te kunnen beoordelen, ook aan dat gebrek bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring kan verbinden als hij de verdediging daardoor onevenredig geschaad acht: [115]
Tallon-criterium van onvoldoende gewicht om daaraan in belanghebbendes fiscale zaak gevolgen te verbinden. Tenslotte zag het Hof geen onherstelbaar vormverzuim (zie 2.27).
nietmede jegens de belanghebbende plaatsvond (zie 2.27 hierboven: r.o. 4.3.6., onder (1) Hof), noch tot het oordeel dat het eventuele vormverzuim herstelbaar zou zijn (zie 2.27 hierboven, r.o. 4.3.6, onder (3) Hof). Ik merk daarbij op dat ik niet zie hoe het zakken voor de
Tallon-toets later hersteld zou kunnen worden.
criminal chargeis – andere gevolgen aan die onrechtmatigheid te verbinden dan de strafrechter deed. De enkele overweging dat het niet-voldoen aan de
Tallon-toets ‘van onvoldoende gewicht’ zou zijn, is geen zodanige motivering. De vraag is immers waaróm die schending van onvoldoende gewicht is als de strafrechter haar wél van voldoende gewicht acht om het bewijs uit te sluiten. Ook ‘s Hofs ten overvloede gegeven oordeel kan zijn uitspraak dus niet dragen.
belastingheffingten laste van de belanghebbende moet worden beoordeeld of de Inspecteur in strijd handelt met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Hierover moet de fiscale rechter wél zelfstandig oordelen (zie 11.3). Het Hof had dus te onderzoeken hoe het bewijsmateriaal tegen de belanghebbende is verkregen en in handen van de Inspecteur is geraakt. Het Hof heeft dat niet onderzocht omdat hij het materiaal fiscaal reeds bruikbaar achtte omdat het, indien al onrechtmatig verkregen, niet jegens de belang-hebbende onrechtmatig zou zijn verkregen. Nu echter de strafrechter de (on)rechtmatigheid van de verkrijgingswijze van het materiaal niet heeft kunnen beoordelen, het Hof geen nadere feiten heeft vastgesteld omtrent het Duitse onderzoek, en niet onderzocht heeft hoe het volgens de strafrechter onbruikbare materiaal ter beschikking van de inspecteur is gekomen, acht ik onvoldoende gemotiveerd ‘s Hofs impliciete oordeel dat bij de verkrijgings-wijze van het materiaal de beginselen van behoorlijk bestuur niet geschonden zijn, althans onvoldoende om het uit te sluiten voor heffingsdoeleinden. Bovendien meen ik op grond van het hierboven (11.8) gestelde dat ook indien bewijsuitsluiting geen gepaste reactie zou zijn, onderzocht zou moeten worden of aanslagvermindering in aanmerking zou komen.
voor beboetingsdoeleindenmoeten uitgaan van onrechtmatigheid van de bewijsvergaring en zal het gevolg van die onrechtmatigheid moeten bepalen. Afwijking van het gevolg dat de strafrechter eraan verbond, behoeft motivering, met name op basis van verschil tussen de strafrechtelijk aan de belanghebbende tenlastegelegde gedragingen en de gedragingen waarvoor hem fiscaalrechtelijk boeten zijn opgelegd.
voor de belastingheffingmoeten beoordelen of de wijze waarop het bewijsmateriaal is verkregen en vervolgens in handen van de fiscus is geraakt, de toets van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur doorstaat en zo neen, welk gevolgen, if any, dat heeft voor de navorderingsaanslagen. Daarbij merk ik op dat ook de fiscus zelfstandig bewijs heeft vergaard (zie 2.10 t/m 2.12). Het cassatieberoep van de belanghebbende ziet slechts op het gebruik van het
strafvorderlijkverkregen bewijs. Hij stelt dus kennelijk niet dat de resultaten van des fiscus’ eigen onderzoek verboden vruchten zijn van de gediskwalificeerde strafvorderlijke onderzoeksresultaten en daardoor eveneens onbruikbaar zouden zijn. Het verwijzingshof kan dus in elk geval het zelfstandig door de fiscus vergaarde bewijsmateriaal toelaten. Ik merk voorts op dat de fiscus vergaande controlebevoegdheden heeft en dat de belanghebbende zijn daar tegenover staande meewerkverplichtingen
voor de heffingniet kon afweren met de stelling dat hij een
criminal chargeniet kon uitsluiten en daarom niet zou hoeven meewerken
aan de heffing.