ECLI:NL:RVS:2013:23
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding tewerkstellingsvergunningplicht voor Poolse werknemers
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen een uitspraak van de rechtbank die een boete van €237.500 bevestigde wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De boete was opgelegd omdat appellant Poolse werknemers zonder de vereiste tewerkstellingsvergunningen arbeid liet verrichten.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft overwogen dat het boeterapport van de Arbeidsinspectie voldoende bewijs vormt en dat het niet horen van de vreemdelingen geen onzorgvuldigheid oplevert. Verder is vastgesteld dat de werkzaamheden van de Poolse werknemers onder leiding en toezicht van appellant plaatsvonden en dat er sprake was van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, waarvoor een vergunning vereist is.
Appellant voerde aan dat sprake was van grensoverschrijdende dienstverlening en dat de boete gematigd had moeten worden vanwege onduidelijkheid over de vergunningplicht, geen financieel voordeel, geen uitbuiting en haar financiële situatie. Deze bezwaren werden verworpen omdat de overtreding ernstig was, de vergunningplicht duidelijk gold op het moment van de overtreding en de financiële situatie geen matiging rechtvaardigde.
Ook de overschrijding van de redelijke termijn leidde slechts tot een matiging van €2.500, wat conform jurisprudentie werd geacht. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De boete van €237.500 wegens overtreding van de tewerkstellingsvergunningplicht voor Poolse werknemers wordt bevestigd.