ECLI:NL:RVS:2013:2699
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning wegens niet-betaling leges ondanks betalingsonmacht
De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, maar deze is buiten behandeling gesteld wegens niet-betaling van de leges. De vreemdeling stelde dat zij betalingsonmacht had, onderbouwd met een verklaring van de Raad voor Rechtsbijstand, bankafschriften en een brief van VluchtelingenWerk Zuidvleugel.
De rechtbank oordeelde dat de vreemdeling onvoldoende inzicht had gegeven in haar financiële situatie en die van haar minderjarige kind, en dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij of haar ex-echtgenoot niet in staat of bereid waren de leges te betalen. De Raad van State bevestigt dit oordeel en overweegt dat het beleid van de staatssecretaris, dat vereist dat een vreemdeling zich wendt tot familieleden of maatschappelijke organisaties om leges te betalen, niet onredelijk is.
Verder oordeelt de Raad dat het beleid niet in strijd is met artikel 13 EVRM Pro en dat het arrest van het EHRM in de zaak G.R. tegen Nederland niet van toepassing is, omdat de vreemdeling en haar kind geen bijstandsuitkering ontvingen en geen inkomensonderzoek was verricht. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wegens niet-betaling van leges bevestigd.