ECLI:NL:RBDHA:2016:8880

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2016
Publicatiedatum
29 juli 2016
Zaaknummer
AWB 15/20873 en 15/20887
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vw 2000Art. 3.46 Vb 2000Art. 8 EVRMArt. 13 EVRMArt. 47 Handvest
Verwijzingen
20 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van uitstel van vertrek en betalingsonmacht griffierecht bij medische verblijfsvergunning

Eiser heeft beroep ingesteld tegen besluiten van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie met betrekking tot uitstel van vertrek op medische gronden en de weigering van vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht.

De rechtbank behandelt twee procedures: één over het uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en één over de aanvraag van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'medische behandeling'. Eerder is in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de zaak terugverwezen naar de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat eiser geen belang heeft bij een eerdere ingangsdatum van het uitstel van vertrek en dat hij niet heeft aangetoond niet te kunnen betalen, waardoor het beroep tegen het besluit over het griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het beroep tegen het uitstel van vertrek wordt ongegrond verklaard. Tevens veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris in de proceskosten van €980,- die in hoger beroep zijn gemaakt.

Uitkomst: Het beroep tegen het griffierecht wordt niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het uitstel van vertrek ongegrond, en de staatssecretaris wordt veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 15/20887 en 15/15/20873

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],
geboren op [geboortedatum] ,
van [...] nationaliteit,
V-nummer [vreemdelingennummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,verweerder.15/20887

Procesverloop

Artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), Awb 15/20873 (voorheen: 14/8687)

Bij besluit van 2 september 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw 2000 afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 maart 2011 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 november 2011, Awb 11/8434, heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep van eiser gegrond verklaard, het besluit van 8 maart 2011 vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift van 7 september 2010 neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Bij besluit van 25 april 2012 heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en het bezwaar van eiser gegrond verklaard en hem uitstel van vertrek verleend voor de duur van zijn opname, met ingang van 25 april 2012 tot uiterlijk 25 oktober 2012.
Bij uitspraak van 19 oktober 2012, Awb 12/15515 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 april 2012 vernietigd, en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift van 7 september 2010 neemt met inachtneming van de uitspraak.
Bij uitspraak van 6 februari 2014, nr. 201210842/1/V1, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) de uitspraak van 19 oktober 2012 bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.
Bij besluit van 20 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw gegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij uitspraak van 1 juli 2014, Awb 14/8687, heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 18 november 2015, nr. 201406310/1/V2, heeft de Afdeling het door eiser ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 juli 2014, Awb 14/8687 vernietigd en de zaak teruggewezen naar deze rechtbank.
Verblijfsvergunning onder beperking medische behandeling, Awb 15/20887 (voorheen: 13/26662)
Bij besluit van 21 februari 2013 heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ buiten behandeling gesteld.
Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 7 juni 2013, Awb 13/07424, is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Bij besluit van 19 september 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij uitspraak van 1 juli 2014, Awb 13/26662, heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 18 november 2015, nr. 201406353/1/V2, heeft de Afdeling het door eiser ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 juli 2014, Awb 13/26662 vernietigd en de zaak terugverwezen naar deze rechtbank.
Beide procedures:
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven uitspraak te doen zonder dat een (nadere) zitting plaatsvindt.

Overwegingen

1. De griffier van de rechtbank heeft eiser in beide procedures bericht vooralsnog af te zien van het heffen van griffierecht. De rechtbank handhaaft dit.
2. Ingevolge het eerste lid van artikel 3.46 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van verweerder het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van verweerder deugdelijk is geregeld.
Ingevolge het vierde lid van artikel 3.46 van het Vb 2000 wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder k, van de Vw 2000. De aanvraag wordt evenmin afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder c, en evenmin op het feit dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien de vreemdeling ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder j, van de Vw 2000 heeft gehad.
3. Ingevolge artikel 8, onder j, van de Vw 2000 heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf indien tegen de uitzetting beletselen bestaan als bedoeld in artikel 64.
4. De rechtbank stelt vast dat aan eiser bij (vernietigd) besluit van 25 april 2012 uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 voor de duur van zijn opname, met ingang van 25 april 2012 tot uiterlijk 25 oktober 2012. In het thans bestreden besluit van 20 maart 2014 houdt verweerder vast aan deze ingangsdatum.
5. In geschil is de (motivering ten aanzien van de) ingangsdatum. Voorts heeft eiser betoogd dat verweerder in het bestreden besluit van 20 maart 2014, gelet op algehele en ex nunc heroverweging in bezwaar, tevens had moeten bezien of eiser op dat moment in aanmerking kwam voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000, althans of tegen de uitzetting beletselen bestonden als bedoeld in artikel 64 van Pro de Vw 2000.
6. De rechtbank stelt tevens vast dat eiser voor afloop van de termijn waarvoor hem uitstel van vertrek is verleend, op 17 september 2012, een aanvraag om verlen(g)ing van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ heeft ingediend.
7. Eisers belang bij de beoordeling van het beroep tegen het besluit van 20 maart 2014 is er in gelegen dat hij eventueel in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ indien hij ten minste een jaar voorafgaand aan de aanvraag van 17 september 2012 rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 zou hebben gehad. In dat verband is betoogd dat hem met een eerdere ingangsdatum dan 25 april 2012 uitstel van vertrek had moeten worden verleend.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat dit belang alleen als er ook daadwerkelijk uitzicht op een eventuele verlening van de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ is.
Dit is niet het geval indien de buiten behandeling stelling van de aanvraag van 17 september 2012 in rechte gehandhaafd blijft. Derhalve zal de rechtbank eerst het beroep tegen het besluit van 19 september 2013 beoordelen.
8. In dit kader overweegt de rechtbank nog dat eiser in dit licht bezien geen belang heeft bij de vraag of verweerder in het bestreden besluit van 20 maart 2014 tevens had moeten beoordelen of hij op dat moment in aanmerking kwam voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000. Immers, eiser heeft niet opnieuw een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ ingediend waar een eventueel te verlenen periode van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 gedurende tenminste een jaar direct aan vooraf had kunnen gaan.
Bovendien is aan eiser bij besluit van 19 november 2013 uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 vanaf 19 november 2013 voor de duur van de opname op de afdeling Phoenix van Pro Persona Geestelijke Gezondheidszorg, tot een maximum van een half jaar. Nu aan eiser ten tijde van het bestreden besluit van 20 maart 2014 reeds uitstel van vertrek was verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000, bestond op dat moment ook om deze reden geen belang bij die beoordeling.
9. Ten aanzien van het beroep gericht tegen het besluit van 19 september 2013 overweegt de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH2036) dat indien betaling van de voor de afdoening van de aanvraag verschuldigde leges achterwege blijft, verweerder niet slechts de bevoegdheid toekomt die aanvraag niet te behandelen, doch dat hij daartoe ook gehouden is. Niet is in geschil dat de verschuldigde leges niet zijn betaald. Enkel is in geschil of eiser vrijgesteld had dienen te worden van de verplichting leges te betalen.
10. Eiser heeft in dit kader een beroep gedaan op artikel 8 en Pro artikel 13 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en in dat verband op het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 10 januari 2012, nr. 22251/07, G.R. tegen Nederland van 10 januari 2012 (hierna: het arrest G.R.; www.echr.coe.int). Tevens heeft hij betoogd dat de weigering eiser vrij te stellen van het legesvereiste in strijd is met EU recht, met name het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), omdat hem het recht op een effectief rechtsmiddel wordt onthouden. Ten slotte heeft eiser betoogd dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van horen in bezwaar en dat ten onrechte geen proceskosten voor bezwaar zijn aangeboden.
11. De rechtbank overweegt dat ten aanzien van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’, niet zoals bij een aanvraag in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM (voorheen in het kader van gezinshereniging en gezinsvorming) uitdrukkelijk is voorzien in de mogelijkheid om vrijgesteld te worden van het legesvereiste. Evenmin is het beleid met betrekking tot vrijstelling van de leges in geval van een aanvraag in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM (dan wel gezinshereniging en gezinsvorming) van overeenkomstige toepassing verklaard op aanvragen om een verblijfsvergunning voor een medische behandeling.
Desondanks heeft verweerder zich in het bestreden besluit en tijdens de behandeling ter zitting op 20 mei 2014 op het standpunt gesteld dat eiser aan moet tonen dat hij de leges niet kan betalen en dat enkel is gesteld dat hij van derden geen inkomen dan wel een lening zal kunnen verkrijgen. Daarmee heeft verweerder getoetst of eiser in aanmerking komt voor vrijstelling van het vereiste leges te betalen zodat de rechtbank de beantwoording van de vraag of verweerder daartoe gehouden was achterwege laat.
12. Ten aanzien van eisers beroep op artikel 8 van Pro het EVRM overweegt de rechtbank onder verwijzing naar voormelde uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2009 in de eerste plaats dat ook indien gesteld wordt dat sprake is van een mogelijke schending van artikel 8 van Pro het EVRM, moet worden voldaan aan de in het nationale recht neergelegde procedureregels, waaronder de verplichting tot het betalen van leges. Nog afgezien van de vraag of eiser een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 van Pro het EVRM, overweegt de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 24 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2686 en ECLI:NL:RVS:2013:2699) en naar de uitspraken van de Afdeling van 10 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:423 en ECLI:NL:RVS:2016:425) voorts dat eiser dient aan te tonen niet te kunnen beschikken over middelen om aan de legesverplichting te kunnen voldoen. Daarbij wordt eveneens verwacht dat hij aantoont dat hij zich heeft gewend tot derden met wie hij frequent contact heeft en die een rol spelen in zijn dagelijks leven - daaronder vallen ook maatschappelijke organisaties, voor zover die hem hulp hebben geboden - en dat hij inzichtelijk maakt dat en waarom zij niet kunnen of willen bijdragen aan betaling van de leges. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht overwogen dat eiser er niet in is geslaagd zijn betalingsonmacht met stukken aan te tonen.
In voormelde uitspraken van de Afdeling van 24 december 2013 heeft de Afdeling geoordeeld dat een beroep op artikel 13 van Pro het EVRM en op het arrest G.R. faalt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat in het geval van eiser niet anders. Evenmin is gelet op deze uitspraken, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat verweerder de betreffende vreemdeling niet de toegang tot een effectief nationaal rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van Pro het EVRM heeft ontnomen, naar het oordeel van de rechtbank sprake van het ontnemen van een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 47 van Pro het Handvest, voor zover de bepalingen van het Handvest van toepassing zijn.
13. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij ten onrechte niet is gehoord alvorens op
het bezwaar is beslist.
Van het horen kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is (artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb). Hiervan is sprake wanneer reeds aanstonds blijkt dat het bezwaar ongegrond is en geen twijfel over die conclusie mogelijk is.
Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond kunnen achten en van het horen van eiser kunnen afzien.
14. Het beroep met kenmerk 15/20873, gericht tegen het besluit van 19 september 2013 zal gelet op het vorenstaande niet-ontvankelijk worden verklaard. Het beroep met kenmerk 15/20873, gericht tegen het besluit van 20 maart 2014, zal ongegrond worden verklaard.
15. De rechtbank is voorts van oordeel dat geen aanleiding bestaat tot veroordeling in de in bezwaar gemaakte proceskosten omdat de primaire besluiten niet zijn herroepen wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.
16. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van de onderhavige beroepen bestaat geen aanleiding.
17. Gelet op rechtsoverweging 5 van de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2015 in
zaak nr. 201406310/1/V2 en rechtsoverweging 2 van de uitspraak van de Afdeling van
18 november 2015 in zaak nr. 201406353/1/V2, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die bij eiser zijn opgekomen in verband met de behandeling van de hoger beroepen. Deze kosten zijn door de Afdeling vastgesteld op 980,--.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep met kenmerk 15/20873 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep met kenmerk 15/20887 ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in hoger beroep van € 980,-- , te betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Markwat, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Artikel 85 van Pro de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.