ECLI:NL:RVS:2013:650
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep na verlening verblijfsvergunning en proceskostenvergoeding
Bij onderscheiden besluiten van 30 maart 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel de aanvragen van vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank 's-Gravenhage, die op 22 februari 2012 deze besluiten vernietigde en de minister opdroeg nieuwe besluiten te nemen.
De vreemdelingen gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak. Tijdens de procedure verklaarden zij dat zij inmiddels een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd hadden ontvangen, maar dat zij het hoger beroep pas zouden intrekken nadat zij een proceskostenvergoeding hadden gekregen. De Raad van State oordeelde dat het belang bij het hoger beroep daarmee was komen te vervallen, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
De Raad overwoog dat een proceskostenveroordeling mogelijk is indien de staatssecretaris tegemoet is gekomen, zoals hier het geval is door het alsnog verlenen van de verblijfsvergunning. Daarom veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen, vastgesteld op €472,00, toe te rekenen aan beroepsmatige rechtsbijstand.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 31 juli 2013.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €472,00.