ECLI:NL:RVS:2013:720
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit raad voor rechtsbijstand wegens strijd met zorgvuldigheidsbeginsel en niet-beslissen op verzoek kostenvergoeding
De appellant diende een aanvraag in bij de raad voor rechtsbijstand om extra uren toe te kennen. De raad stelde deze aanvraag buiten behandeling en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel. In hoger beroep oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak dat het besluit van de raad een zorgvuldigheidsgebrek bevatte omdat appellant niet uitdrukkelijk was gewezen op de gevolgen van het buiten behandeling laten van zijn aanvraag.
De Afdeling gaf de raad opdracht het besluit te herstellen, waarna de aanvraag alsnog werd toegekend. Appellant stelde dat de raad onterecht niet had beslist op zijn verzoek om vergoeding van kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand die hij had moeten maken in het bezwaarproces. De Afdeling oordeelde dat de raad in strijd had gehandeld met artikel 7:15, derde lid, van de Awb door niet op dit verzoek te beslissen.
De Afdeling stelde vast dat de kosten voor rechtsbijstand in een procedure over een aanvraag om extra uren in beginsel niet vergoed behoeven te worden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, die hier niet waren aangetoond. Het verzoek om vergoeding van deze kosten werd daarom afgewezen. De Afdeling vernietigde het besluit van 23 december 2011 en het besluit van 28 februari 2013 voor zover niet was beslist op het verzoek om kostenvergoeding, en bepaalde dat haar uitspraak in de plaats treedt van het laatste besluit. Tevens werd het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het besluit van de raad voor rechtsbijstand wordt vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het niet-beslissen op het verzoek om vergoeding van kosten, met afwijzing van het verzoek om vergoeding van kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand.