ECLI:NL:RVS:2013:874
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning vreemdeling
De minister van Justitie wees op 25 maart 2010 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Na een ongegrondverklaring van het bezwaar door de minister op 9 juni 2011, stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank 's-Gravenhage. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen.
De minister, inmiddels staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling toetste de medische adviezen van het Bureau Medische Advisering (BMA) en de brieven van de behandelaars van de vreemdeling, waarbij zij oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de brief van 30 mei 2011 nieuwe feitelijke medische informatie bevatte.
De Afdeling concludeerde dat het BMA-advies en de BMA-nota zorgvuldig en inzichtelijk waren en dat er geen medische noodsituatie op korte termijn te verwachten was bij het uitblijven van behandeling. Ook was het niet onbegrijpelijk dat fysieke overdracht bij aankomst in Burundi niet noodzakelijk werd geacht, zolang begeleiding tijdens de reis plaatsvond. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.