ECLI:NL:RVS:2014:921
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R. van der Spoel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat afwijzing verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd rechtmatig is
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister voor Immigratie en Asiel op 12 december 2011 werd afgewezen. De rechtbank had dit besluit vernietigd en de zaak terugverwezen voor heroverweging. Zowel de staatssecretaris als de vreemdeling stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het besluit van 12 december 2011 een eerste afwijzing betrof en dat de rechtbank ten onrechte een beoordelingskader toepaste dat alleen geldt bij besluiten van gelijke strekking. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat het beroep van de vreemdeling ongegrond is.
De vreemdeling voerde onder meer aan dat de medische situatie een uitzetting in strijd met artikel 3 EVRM Pro zou maken. De Afdeling stelde dat het Bureau Medische Advisering (BMA) zorgvuldig en inzichtelijk had gehandeld en dat geen sprake was van een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium van ziekte. Ook de weigering tot ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier werd bevestigd, mede vanwege het ontbreken van blijvende onmogelijkheid tot reizen en het ontbreken van noodzakelijke fysieke overdracht aan medische instellingen in het land van herkomst.
De Afdeling concludeerde dat de staatssecretaris terecht het besluit heeft genomen en dat het beroep ongegrond is verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt bevestigd.