Uitspraak
200809019/1/H1dat besluit in stand gelaten. Het daartegen bij de Afdeling ingestelde verzoek om herziening is afgewezen. Het thans aan de orde zijnde handhavingsverzoek is een herhaald verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. De rechtbank heeft overwogen dat het niet toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het besluit van 21 april 2010, omdat naar het oordeel van de rechtbank [appellant] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd.
200706839/1) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr.
200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.