ECLI:NL:RVS:2013:BZ7441
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek verlenging geldigheidsduur ontgrondingsvergunning
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant wees op 23 maart 2012 het verzoek van appellant om verlenging van de ontgrondingsvergunning af die oorspronkelijk op 3 augustus 1990 was verleend. De vergunning was volgens de geldende voorwaarden uiterlijk op 1 april 2012 verlopen. Het college verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk omdat de vergunning al was geëxpireerd en verlenging daarom niet mogelijk was.
Appellant stelde dat hem rechtsbescherming was ontnomen en dat het college het primaire besluit in de bezwaarfase had moeten beoordelen naar de feiten en omstandigheden ten tijde van het oorspronkelijke besluit. Ook voerde hij aan dat het college het overleg omtrent de indiening van het verlengingsverzoek had gefrustreerd, waardoor de late indiening niet aan hem te wijten was.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat op grond van vaste rechtspraak en artikel 7:11 Awb Pro het bezwaarbesluit beoordeeld moet worden naar de feiten en omstandigheden ten tijde van het bezwaarbesluit, tenzij het besluit ziet op een tijdvak in het verleden. Een ontgrondingsvergunning betreft echter een tijdvak in de toekomst, zodat het college het bezwaarbesluit terecht beoordeelde naar de situatie op het moment van het bestreden besluit. Appellant had niet aannemelijk gemaakt dat het verlopen van de vergunning aan het college te wijten was, mede omdat het verzoek tot verlenging pas zes weken voor het verlopen van de vergunning was ingediend.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verlenging van de ontgrondingsvergunning wordt ongegrond verklaard.