ECLI:NL:RVS:2019:200
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar intrekking toevoegingsvergoedingen High Trust-programma
De zaak betreft het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag over de intrekking van vergoedingen voor drie toevoegingen die waren verleend aan een rechtsbijstandverlener binnen het High Trust-programma van de raad voor rechtsbijstand.
De raad had de vergoedingen na steekproefcontrole ingetrokken en het bezwaar van de maatschap en een van de maten niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet als belanghebbenden werden gezien. De rechtbank bevestigde dit oordeel. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt echter het deel van het besluit dat het bezwaar van de maatschap niet-ontvankelijk verklaarde, omdat het kantoor als belanghebbende moet worden aangemerkt vanwege de directe gevolgen van de intrekking binnen het High Trust-programma.
Verder oordeelt de Afdeling dat het beleid van de raad omtrent toevoegingen in fiscale en toeslagzaken niet in strijd is met de Wet op de rechtsbijstand en dat de raad het beleid correct heeft toegepast. De overige bezwaren worden ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd en de maatschap krijgt vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het bezwaar van de maatschap tegen de intrekking van toevoegingsvergoedingen is ontvankelijk verklaard en ongegrond, het besluit van 30 januari 2017 wordt voor dat onderdeel vernietigd.