ECLI:NL:RVS:2013:BZ9094
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A.C. Slump
- A. Hammerstein
- R. Uylenburg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling handelsvergunning Oralgen Mijten onder Geneesmiddelenwet en Richtlijn 2001/83
ARTU Biologicals Europe B.V. heeft een handelsvergunning aangevraagd voor het geneesmiddel Oralgen Mijten, welke door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen is geweigerd op grond van onvoldoende bewijs van therapeutische werkzaamheid. Het College baseerde zich op klinisch-farmacologische rapporten en studies, waaronder studie AB9502 en Stardrop II, waarin methodologische bezwaren en onvoldoende klinische relevantie werden vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat de implementatie van artikel 26 van Pro Richtlijn 2001/83 in de Geneesmiddelenwet (Gmw) correct was en dat het College zijn beoordelingsvrijheid niet had overschreden. ARTU stelde dat de Gmw een zwaardere bewijslast oplegt dan de richtlijn en dat het College ten onrechte strengere criteria hanteerde, maar deze argumenten werden verworpen.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat zowel de richtlijn als de Gmw imperatief zijn geformuleerd en dat het College binnen zijn beoordelingsvrijheid heeft gehandeld. De afwijking van de door de World Allergy Organisation opgestelde criteria werd als gemotiveerd en toelaatbaar beoordeeld. Het betoog dat Oralgen Mijten even effectief is als andere allergenen met minder bijwerkingen werd eveneens verworpen, omdat niet aan het cumulatieve criterium van therapeutische werkzaamheid is voldaan.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De handelsvergunning voor Oralgen Mijten wordt geweigerd vanwege onvoldoende aangetoonde therapeutische werkzaamheid.