ECLI:NL:RVS:2014:1236
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering toestemming voor werkzaamheden in particuliere beveiliging wegens onvoldoende betrouwbaarheid
Appellant verzocht om toestemming om werkzaamheden te verrichten voor een particuliere beveiligingsorganisatie, maar de korpschef onthield deze toestemming op grond van onvoldoende betrouwbaarheid. Dit besluit werd bevestigd door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De korpschef baseerde zijn besluit op het feit dat appellant twee keer was gedagvaard wegens fraude en dat vervolging nog steeds gaande was. Volgens de geldende circulaire mogen personen die niet voldoende betrouwbaar zijn, geen toestemming krijgen om in de beveiligingsbranche te werken. De betrouwbaarheid wordt mede beoordeeld aan de hand van onherroepelijke veroordelingen, maar ook op basis van andere relevante feiten, zoals lopende strafzaken met serieuze verdenkingen.
Appellant stelde dat het besluit in strijd was met de onschuldpresumptie omdat de strafzaken nog niet inhoudelijk waren behandeld en hij verwachtte vrijspraak of niet-ontvankelijkheid. De Raad van State oordeelde echter dat het onthouden van toestemming een bestuurlijke maatregel is gericht op bescherming van de veiligheidszorg en de goede naam van de branche, en geen strafrechtelijke sanctie. Daarom mocht de korpschef de lopende strafzaken als grondslag gebruiken.
Verder wees de Raad van State het beroep op de hardheidsclausule af, omdat deze niet toegepast kan worden als is vastgesteld dat iemand niet betrouwbaar is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit om appellant geen toestemming te verlenen wegens onvoldoende betrouwbaarheid.