ECLI:NL:RVS:2014:2486
Raad van State
- Hoger beroep
- Th.G. Drupsteen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering handhaving gebruik woning als burgerwoning in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Deventer wees het verzoek van appellant af om handhavend op te treden tegen het gebruik van twee panden als burgerwoning, terwijl deze volgens het bestemmingsplan een agrarische bedrijfsbestemming hadden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant deels gegrond en vernietigde het besluit van het college om het bezwaar ongegrond te verklaren, met de opdracht een nieuw besluit te nemen.
In hoger beroep oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak dat de rechtbank terecht het beroep gegrond verklaarde, maar dat het college wel bevoegd was om handhavend op te treden tegen het gebruik van de woning als burgerwoning. De Afdeling stelde vast dat het college ten onrechte had afgezien van handhaving vanwege vermeend concreet zicht op legalisering, omdat op het moment van het besluit nog geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage lag.
Verder was het college onterecht van mening dat handhaving onevenredig was, aangezien het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning een overtreding van het bestemmingsplan is en niet van geringe aard of ernst. Het besluit van 28 mei 2014, waarin het college opnieuw het bezwaar ongegrond verklaarde, werd vernietigd omdat er nog geen concreet zicht op legalisering bestond. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht.
De Afdeling bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank met verbeterde gronden en legde het college op een nieuw besluit te nemen dat in lijn is met de uitspraak.
Uitkomst: Het besluit van het college om niet handhavend op te treden tegen het gebruik van de woning als burgerwoning is vernietigd en het college is verplicht een nieuw besluit te nemen.