ECLI:NL:RVS:2019:3010
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit bedrijfswoningbewoning in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel heeft aan appellant opgelegd om de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te staken door de bedrijfswoning in overeenstemming met de bestemming te brengen, met een dwangsom van € 60.000. Appellant betwistte dit en voerde onder meer aan dat de bewoning noodzakelijk is vanwege 24-uursbedrijf en dat sprake is van concreet zicht op legalisatie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de huisvesting van werknemers niet noodzakelijk is, omdat appellant dit niet met concrete gegevens heeft onderbouwd en alternatieven mogelijk zijn. Ook is er geen concreet zicht op legalisatie, omdat geen aanvraag omgevingsvergunning is ingediend en het bestemmingsplan geen bewoning toestaat.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat opdrachten tot brandveiligheidsmaatregelen geen toezeggingen zijn om niet handhavend op te treden. De dwangsom is niet onevenredig hoog, mede omdat appellant geen concrete onderbouwing gaf van de huurinkomsten. De invordering van de dwangsom is terecht en er zijn geen bijzondere omstandigheden om daarvan af te zien. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.