ECLI:NL:RVS:2014:2528
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning
De minister legde appellant een boete van €4.000,- op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden verrichtte op een bouwlocatie. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze boete, waarbij hij onder meer het zorgvuldigheidsbeginsel, de behandeling van het onderzoek, de juistheid van verklaringen en de kwalificatie van arbeid betwistte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling overwoog dat appellant geen zienswijze had ingediend vóór het boetebesluit en dat de minister aan het zorgvuldigheidsbeginsel had voldaan door een hoorzitting te houden. Het verzoek om uitstel van de zitting was niet aannemelijk gemaakt, waardoor appellant zelf verantwoordelijk was voor de afwezigheid en het niet horen van getuigen.
De minister mocht uitgaan van de juistheid van de verklaringen van de vreemdeling en een getuige, die ondanks taalbarrières en vermeende overrompeling als betrouwbaar werden beoordeeld. De Raad van State bevestigde dat het feitelijk verrichten van arbeid zonder vergunning voldoende is voor overtreding, ongeacht de intentie van appellant of betaling.
Appellant had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij alles had gedaan om overtreding te voorkomen en de financiële stukken boden geen grond voor matiging van de boete. De Afdeling oordeelde dat de boete passend en evenredig is opgelegd en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De boete van €4.000,- wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.