ECLI:NL:RVS:2014:2571
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken feitelijke gezinsband
De vreemdeling verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn in Nederland verblijvende vader, de referent, te mogen verblijven. De minister wees dit verzoek op 2 mei 2013 af. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt en later beroep ingesteld, dat door de rechtbank werd afgewezen. De vreemdeling en referent stelden vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdeling als meerderjarig kind zodanig afhankelijk was van de referent dat sprake was van een feitelijke gezinsband, zoals vereist voor het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris had geoordeeld dat deze meer dan normale (emotionele) afhankelijkheid ontbrak, mede omdat de vreemdeling ten tijde van het vertrek van de referent uit Irak al meerderjarig was en in staat geacht werd in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.
De Afdeling stelde echter vast dat de staatssecretaris in zijn besluitvorming onjuiste gronden had gehanteerd door zich uitsluitend te baseren op feiten na het vertrek van de referent en onvoldoende rekening had gehouden met de gezinssituatie ten tijde van het vertrek. Hierdoor was het besluit strijdig met het motiveringsbeginsel en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de zaak werd terugverwezen.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan de vreemdeling en referent.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd.