ECLI:NL:RVS:2014:2802
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens gezinsband
De minister heeft op 29 oktober 2012 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar, dat door de minister op 21 maart 2013 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt feitelijk tot het gezin van haar moeder te behoren ten tijde van het vertrek uit Somalië. Het beleid dat een biologische band tussen ouders en minderjarige kinderen als feitelijke gezinsband aanmerkt, is niet van toepassing op de vreemdeling.
Verder faalden de beroepsgronden van de vreemdeling die stelden dat zij niet correct was gehoord en dat de tolk ongeschikt was. Ook haar verklaringen over gezins- en persoonlijke omstandigheden werden door de staatssecretaris redelijkerwijs als niet plausibel beoordeeld. Beroepen op het EVRM en Europese richtlijnen werden verworpen. De Afdeling verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.