ECLI:NL:RVS:2014:2856
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtsgevolgen afwijzing verblijfsvergunning regulier ondanks gezinsleven
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft op 30 januari 2013 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen en haar opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten. De vreemdeling maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de algemene veiligheidssituatie in Irak bij de belangenafweging had betrokken, terwijl dit asielgerelateerde aspecten betreft die niet relevant zijn voor een reguliere verblijfsvergunning. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris deze situatie wel had moeten meenemen, maar dat de rechtbank terecht het besluit vernietigde omdat dit niet was gebeurd.
Tegelijkertijd oordeelde de Afdeling dat de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder de belangen van het minderjarige kind, voldoende had betrokken bij zijn afweging en dat het standpunt dat de afwijzing van de verblijfsvergunning niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, juist was. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
Daarnaast verwierp de Afdeling de overige beroepsgronden van de vreemdeling, waaronder het beroep op de hardheidsclausule en het Verdrag inzake de rechten van het kind. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.
Uitkomst: De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijven geheel in stand.