ECLI:NL:RVS:2012:BX6235
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake mvv-vereiste bij aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De vreemdelingen dienden op 30 december 2008 aanvragen in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister werden afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De rechtbank had het beroep van de vreemdelingen gegrond verklaard, stellende dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met het gelijkheidsbeginsel en de belangen van de kinderen.
De minister stelde hoger beroep in en voerde aan dat het beoordelingskader voor aanvragen ná 18 maart 2005 anders is dan voor eerdere aanvragen, met name door de toepassing van het mvv-vereiste. Tevens voerde hij aan dat de belangen van de kinderen voldoende waren meegewogen en dat het recht op respect voor het privéleven niet was geschonden.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt, omdat het mvv-vereiste voor aanvragen ná 18 maart 2005 geldt en schrijnende omstandigheden alleen in zeer bijzondere gevallen tot vrijstelling leiden. Ook werd geoordeeld dat de minister de belangen van de kinderen voldoende had betrokken en dat het besluit niet in strijd was met het IVRK of het EVRM.
Daarnaast werd het beroep van de vreemdelingen op arbeidsrechtelijke bepalingen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verworpen. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdelingen ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard.