ECLI:NL:RVS:2014:2939
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- N. Verheij
- G. Snijders
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit planschade en proceskostenvergoeding aan appellant
Appellant, eigenaar van een bedrijfshal, vordert een tegemoetkoming in planschade vanwege een nieuw bestemmingsplan dat de bereikbaarheid van zijn object verslechterde. Het college kende aanvankelijk een vergoeding toe, maar verklaarde het bezwaar later ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat het college het bezwaar niet toereikend heeft gemotiveerd en dat de rechtbank ten onrechte het beroep ongegrond verklaarde. Na een tussenuitspraak waarin het college werd opgedragen het besluit te herstellen, handhaafde het college het besluit alsnog. De Afdeling vernietigt daarom het besluit van 26 maart 2012 en verklaart het beroep gegrond.
Het college legde een nader advies van de commissie Rijkswaterstaat Limburg ten grondslag aan het latere besluit van 24 februari 2014, dat de Afdeling gelet op de Awb ook in het geding betrekt. Appellant betoogt dat de taxatiemethode onjuist is toegepast, maar de Afdeling oordeelt dat de taxatie voldoende zorgvuldig en gemotiveerd is uitgevoerd. Het beroep tegen het besluit van 24 februari 2014 wordt ongegrond verklaard.
Tot slot veroordeelt de Afdeling het college tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant. Hiermee komt een einde aan het geschil over de planschadevergoeding en de procedurekosten.
Uitkomst: Het besluit van 26 maart 2012 wordt vernietigd en het beroep gegrond verklaard; het beroep tegen het besluit van 24 februari 2014 wordt ongegrond verklaard.