ECLI:NL:RVS:2014:3707
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat staatssecretaris belangen minderjarig kind voldoende heeft betrokken bij afwijzing asielaanvraag
De staatssecretaris wees een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, omdat de belangen van het minderjarige kind onvoldoende waren betrokken. De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat hij de belangen van het kind wel degelijk had meegewogen, mede gelet op artikel 3 van Pro het IVRK en artikel 24 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de motivering van het besluit van 23 augustus 2013 voldoende blijk gaf van een zorgvuldige belangenafweging van het kind. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat het besluit niet deugdelijk was gemotiveerd. Vervolgens werd het besluit inhoudelijk getoetst aan de hand van de Dublinverordening, waarbij werd vastgesteld dat geen bijzondere individuele omstandigheden bestonden die de staatssecretaris zouden verplichten het asielverzoek aan zich te trekken.
De vreemdeling voerde aan dat het gezin in Nederland bestond en dat zij en haar partner het ouderlijk gezag deelden, maar de staatssecretaris stelde dat geen duurzame relatie met de vader van het kind was aangetoond. De Afdeling vond dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op dit standpunt kon stellen. Het beroep van de vreemdeling werd daarom ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.