ECLI:NL:RVS:2014:4366
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod wegens disproportionele inbreuk op artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft bij besluit van 26 november 2012 de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van een vreemdeling met terugwerkende kracht ingetrokken en een inreisverbod opgelegd. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het besluit vernietigde, stelde de staatssecretaris hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank een onjuist toetsingskader hanteerde door onvoldoende terughoudendheid te betrachten bij de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank had ten onrechte het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betrokken, terwijl de staatssecretaris in zijn besluit alle relevante feiten en omstandigheden had meegewogen. De Afdeling stelde vast dat het inreisverbod geen disproportionele inbreuk vormt op het recht op gezins- en privéleven, mede gelet op de ernstige en herhaalde strafrechtelijke veroordelingen van de vreemdeling.
Verder werd het beroep van de vreemdeling op artikel 24 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het IVRK verworpen omdat de belangen van zijn minderjarige kinderen voldoende waren meegewogen. De Afdeling verklaarde het beroep tegen het inreisverbod ongegrond en het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd daarmee gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep tegen het inreisverbod ongegrond en het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk verklaard.