ECLI:NL:RBDHA:2016:941
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en oplegging inreisverbod wegens recidive geweldsmisdrijven
Verzoeker is geconfronteerd met de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en een inreisverbod van tien jaar, vanwege het plegen van meerdere ernstige strafbare feiten, waaronder geweldsmisdrijven na 1 juli 2012. Hij betoogt dat het intrekken van zijn verblijfsrecht en het opleggen van het inreisverbod onrechtmatig is, onder meer omdat oude veroordelingen niet mogen worden meegewogen en dit in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de aanscherping van artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 van toepassing is omdat verzoeker zich na 1 juli 2012 opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een ernstig misdrijf. Ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalt omdat het overgangsrecht correct wordt toegepast. Verzoeker kan niet aantonen dat het misdrijf waarvoor hij in 2005 is veroordeeld niet voldoet aan de criteria voor intrekking van de verblijfsvergunning.
Verder wordt het beroep op artikel 8 EVRM Pro (recht op privéleven) verworpen omdat verweerder een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt, waarbij de langdurige verblijfduur en opgebouwde banden worden meegewogen, maar zwaarwegend worden overschaduwd door het strafrechtelijke verleden en het recidiverisico. Ook het beroep op onvoldoende zwaarwegende redenen voor het inreisverbod en humanitaire gronden wordt afgewezen. Ten slotte is voldaan aan de hoorplichten, en is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en opleggen inreisverbod wordt afgewezen.