ECLI:NL:RVS:2014:862
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling zorgtoeslag en toeslagen geweigerd wegens niet-rechtmatig verblijf partner
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen besluiten van de Belastingdienst waarin hem geen voorschotten kindgebonden budget en huurtoeslag voor 2012 werden toegekend, en de zorgtoeslag over 2009 en 2010 definitief op nihil werd vastgesteld. De weigering was gebaseerd op het feit dat zijn partner geen rechtmatig verblijf in Nederland had.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, stellende dat de uitsluiting op grond van artikel 9, tweede lid, van de Awir niet in strijd was met het EVRM en dat appellant geen zeer bijzondere omstandigheden had aangevoerd die een uitzondering rechtvaardigen. Appellant stelde dat de uitsluiting disproportioneel was en dat het belang van zijn kinderen onvoldoende was meegewogen.
De Afdeling bevestigde het koppelingsbeginsel als redelijke rechtvaardiging voor de uitsluiting, maar oordeelde dat de Belastingdienst ten onrechte de zorgtoeslag over 2009 en 2010 definitief op nihil had vastgesteld. De Belastingdienst had onvoldoende rekening gehouden met de situatie dat appellant in bepaalde periodes aanspraak had op 50% van de zorgtoeslag. De Afdeling vernietigde daarom de besluiten over deze jaren en bepaalde dat de Belastingdienst nieuwe besluiten moet nemen.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat nog niet vaststaat of appellant schade heeft geleden. De Afdeling veroordeelde de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze betrekking had op de zorgtoeslag over 2009 en 2010.
Uitkomst: De Afdeling vernietigt de besluiten over zorgtoeslag 2009 en 2010 en beveelt nieuwe besluitvorming door de Belastingdienst.